cyrtocara_moorii.jpg
Wat is nu eigenlijk een regenwoud Afdrukken

Zilverhaai Beringen

Regenwoud, een woudtype dat in zijn voorkomen en samenstelling afhankelijk is van constante hoge luchtvochtigheid als gevolg van een relatief hoge, het gehele jaar door vallende neerslag (wanneer deze luchtvochtigheid toe te schrijven is aan voortdurende mist, spreekt men van nevelwoud).

Tropisch regenwoud

De meest karakteristieke en meest verbreide vorm is het tropisch regenwoud. Dit komt voor in gebieden waar de gemiddelde jaartemperatuur gewoonlijk tussen 24 en 30°C ligt en het koudste maandgemiddelde nooit onder 18°C daalt. De neerslag (2000-5000mm per jaar en meer) valt er meestal in de vorm van wolkbreuken op een vaste tijd van het etmaal. De constant hoge temperatuur en vochtigheidsgraad leiden tot grote weelderigheid, snelle groei, maximale productie en een uiterst gecompliceerde structuur: het tropisch regenwoud is het meest ingewikkelde ecosysteem op aarde.

Kenmerkend is ook de enorme rijkdom aan soorten; deze is niet alleen aan het klimaat toe te schrijven, maar mede aan het feit dat het tropisch regenwoud zich ondanks storingen van geologische en klimatologische aard (vulkanisme, gebergtevorming, droogteperioden, ijstijden, enz.) als geheel over miljoenen jaren heeft kunnen ontwikkelen. Het tropisch regenwoud is daardoor van het grootste belang als genenreservoir, dat materiaal levert voor de evolutie. De dreigende algehele vernietiging ervan door de mens is dan ook een ramp, zowel in dit opzicht als ten aanzien van het gevaar van bodemerosie.

Het tropisch regenwoud is gewoonlijk zeer rijk aan soorten van altijd groene bomen uit de meest uiteenlopende families (echter zeer weinig naaldbomen), vooral uit de Peuldragers, Maagdenpalmfamilie, Moerbeifamilie, Walstrofamilie, Laurierfamilie, Sapotaceae, Lecythidaceae, Burseraceae, Annonaceae, Olacaceae, Meliaceae, Myrtaceae, Combretaceae, Flacourtiaceae, Sterculiaceae en Dipterocarpaceae. Op slechts enkele km2 kunnen 3000 soorten vaatplanten leven.

Het aantal soorten hoogopgaande bomen op 1 tot 2 ha varieert van 50 tot 175. Er is geen sprake van één dominerende, min of meer gelijkmatige, hoge boometage, zoals men die uit de bossen van de gematigde luchtstreken kent. Bepaalde verspreid door het woud voorkomende, 50 tot 75 m hoge soorten steken boven de overige bomen uit; daaronder strekt zich het ook nog zeer ongelijkmatige hoofdkronendak uit, in verschillende lagen van 20 tot 40 m hoog, waaronder zich nog een lage boomlaag en een struik- en kruidlaag bevinden. De bomen hebben meestal rechte, tamelijk slanke stammen met dunne schors en vaak opvallende ‘plankwortels’ in het onderste bovengrondse gedeelte.

De kruiden zijn ten gevolge van de sterk variërende lichthoeveelheid die tot de bodem kan doordringen, ongelijkmatig verdeeld, vaak weinig dominant, met grote sappige bladeren. Het zijn vooral soorten uit de Gemberfamilie, Aronskelkfamilie, Brandnetelfamilie, Begoniafamilie en Melastomataceae. De structuur wordt verder echter vooral gecompliceerd door de talloze lianen en epifyten. De typische lianen zijn houtig, klimmen tot in de hoogste kronen en ontplooien daar eerst hun kroon (Bauhinia, Strychnos, enz.); andere komen niet verder dan het onderste kronendak of beperken zich tot de ondergroei; weer andere (Clusia, Ficus, enz.) zijn eigenlijk epifyten die secundair tot lianen worden doordat zij talrijke wortels naar de grond zenden. Vele mossen en korstmossen treden op als begroeiing van bladeren (epifyllen); de meeste epifyten zijn vaatplanten, zich nestelend op stammen en takken en daar humus en water verzamelend (vooral soorten uit de Orchideeënfamilie en Bromeliafamilie). Een speciale groep is die van de xeromorfe epifyten, die op de kronen van de hoogst uitstekende bomen groeien en daar aan sterke uitdroging blootgesteld zijn (Rhipsalis, Tillandsia, Aechmea, sommige orchideeën). Voorts moeten nog epifytische halfparasieten (Vogellijmfamilie) en saprofytische grondbewoners (o.a. Burmanniaceae) genoemd worden.

Bloemen vallen in het tropisch regenwoud weinig op, ten eerste doordat de meeste zich in het kronendak bevinden en ten tweede doordat de bloei over het gehele jaar verdeeld is. Een specifiek verschijnsel is de veelvuldige cauliflorie, het verschijnsel van bloei op oudere, bladloze houtige stammen en takken.

Het tropisch regenwoud heeft aan vernietiging door de mens weerstand geboden tot aan de komst van de moderne techniek. Hoewel het woud een groot regeneratievermogen heeft ten opzichte van inwendige storingen, is het ecosysteem slecht bestand gebleken tegen het vellen van alle bomen op een bepaald stuk grond (kaalkap). Wegens de intensieve stofkringloop wordt nl. slechts zeer weinig humus gevormd; na kaalkap treden sterke bodemerosie en uitloging op, veroorzaakt door tropische slagregens, met als gevolg dat na enkele jaren slechts kale rots overblijft. Blijvende productiviteit van tropisch regenwoud ten behoeve van de mens is dan ook slechts mogelijk bij een voorzichtige, conserverende exploitatie.

Andere typen regenwoud


Behalve tropisch regenwoud kent men ook montaan regenwoud (in de tropen overgaand in nevelwoud), warm-gematigd regenwoud en koel-gematigd regenwoud; in één gebied (aan de kust van pacifisch noordwest Amerika) zelfs een overwegend uit naaldbomen bestaand regenwoud.

 
RocketTheme Joomla Templates