Samolus parviflorus_1.jpg
Nishikigoi Afdrukken

Siervis Leuven

Momenteel is de Nishikigoi, oftewel de Japanse Koikarper razend populair. Dit is niet zo verwonderlijk, gezien hun kleurenpracht, hun eenvoudige verzorging, en het feit dat ze vrij vlug handtam worden. Ofschoon Koi’s hier pas enkele jaren echt zijn doorgebroken, worden de moderne kleurvariëteiten in Japan al sinds 1800 gehouden. Maar pas vanaf het begin van de 20ste eeuw braken ze echt door, en werd het houden van Koi’s in hun thuisland populair. Een eerste Koishow werd al in 1912 georganiseerd. Het gevolg was natuurlijk - er is nog niets veranderd! - dat voor de beste exemplaren gepeperde prijzen werden aangerekend. In Europa en de V.S. werden koi’s pas echt bekend vanaf het midden van de jaren ’50. Een bescheiden, maar gestadige import vanaf de jaren ’60, werd steeds groter, en vandaag de dag worden er miljoenen Koi’s over de hele wereld verhandeld.

Tancho, Kawari Mono, Showa Sanshoku…, het zijn slechts enkele benamingen van kleurvariëteiten. Deze Japanse benamingen werden nooit vertaald, omdat dit moeilijkheden en verwarring zou meebrengen. De Japanse kwekers gaven elke kleur zijn eigen benaming, vaak gebaseerd op namen van vogels, bloemen, bergen en zelfs landschappen. Terwijl sommige gemakkelijk vertaald kunnen worden, zijn andere kleurtermen dat weer niet. Vandaar werd er dus besloten om de originele benamingen te houden.

Japanse, Israëlische of Europese Koi? Ook hierin is er een verschil. Europese Koi’s zijn de goedkoopste van de drie, maar ook de kleuren zijn navenant: zwak, en met fouten erin. In sterkte, of levensduur, zijn deze Koi’s gelijkwaardig met hun Japanse collega’s, maar zij zullen nooit de kleurenpracht verkrijgen van een echte Koi.

Japanse Koi hebben heldere, duidelijke kleuren en patronen. Indien bijvoorbeeld een Koi een rode vlek op het voorhoofd heeft, moet deze ook volledig rood zijn, en niet oranje op sommige stukken. Evenmin mag het rood wat verderop opnieuw uitdeinen in vlekjes op het lichaam, als dit volledig wit behoort te zijn. Men keurt zelfs de sierlijkheid van de zwembewegingen. Mede door deze strenge eisen selecteren Japanse kwekers zeer kritisch, en dit verklaart dan ook de hoge prijzen voor een kwaliteit Koi. Israëlische Koi’s zitten, wat kwaliteit betreft, tussen Japanse en Europese Koi’s in. In de handel wordt vaak geschermd met termen als: "A-kwaliteit, AA-, B-kwaliteit" enz… Staar U daar niet al te blind op, en observeer de vis die U wenst zelf. Is de kleur sterk genoeg voor zijn categorie (zwart moet zwart zijn, en niet met grijze plekken!!!), zwemt de vis op een rustige manier, zijn het lichaam en de vinnen in goede staat? Bij een jonge Koi is de kleurselectie natuurlijk moeilijker dan bij halfvolwassen dieren, omdat de kleuren nog aan het doorgroeien zijn, maar toch is het door observeren, vergelijken en geduld wel mogelijk om hier, mits een beetje geluk en ervaring mooie dieren uit te selecteren.

Het inrichten van de vijver

Wie vandaag de dag als beginner een willekeurige aquarium- /vijverhandel binnenloopt, en verklaart dat hij of zij Koi’s wil gaan houden, wordt zo overstelpt met technische zaken en uitdrukkingen, dat men maar al te vaak door de bomen het bos niet meer ziet. Laten we de zaken daarom op een rijtje zetten.

De vijver

Men kan gebruik maken van zowel "prefab" als van vijverfolie. "Prefab" is echter beperkt in keuze op het gebied van vormen en is veel lastiger in te graven dan folie. Bovendien zijn de beschikbare modellen vaak nogal grillig van vorm, wat minder geschikt is, daar Koi’s zwemruimte nodig hebben. Vijverfolie is dus veel beter geschikt, te meer omdat het gemakkelijker verwerkbaar is en er tegenwoordig soorten verkrijgbaar zijn (rubberfolie) die kwalitatief vrijwel gelijkstaan met prefab. De dikte van de folie is iets waarop niet bezuinigd mag worden: 0,5mm is eigenlijk te dun, 0,8mm is naar mijn mening de beste dikte, ook al is 1mm uiteraard sterker. 1mm dikke folie is echter nogal lastig te verwerken vanwege zijn stijfheid: de plooien zijn er veel moeilijker uit te krijgen dan bij 0,8mm.

Zoals reeds hierboven vermeld hebben Koi’s veel zwemruimte nodig. De vijver mag daarom niet te klein zijn. Afhankelijk van de grootte en het aantal dieren dat U aanschaft, is de minimummaat toch wel 4 meter bij 3 en ongeveer 1,80m diep. Deze diepte is nodig, omdat er in een Koivijver geen waterplanten of lelies kunnen geplaatst worden, daar de dieren ze opvreten. Bijgevolg wordt in de zomer, als het heet is, het water sterk opgewarmd. De grotere diepte moet deze sterke opwarming kunnen compenseren, door de Koi’s toe te laten dieper/koeler water op te zoeken. Natuurlijk kunt U jonge Koi’s perfect in een kleinere, beplante vijver houden, maar als de dieren groter worden, dient U ze toch vroeg of laat te verhuizen. Indien U echter (half)volwassen dieren wil huisvesten, is een grotere vijver wel een noodzaak. Anders riskeert U een te trage groei, en door overbevolking ziekte en/of troebel water.

Techniek

Wie als beginnend Koiliefhebber een zaak binnenstapt, en er de installatie bekijkt die men pleegt te gebruiken, krijgt al gauw de indruk dat men technieker moet zijn om de zaak draaiende te houden. Men hoort termen als UV-filters, vortex-filters, mechanische, biologische en moerasfilters… Is dit wel allemaal nodig?

Het doel van een filter is het water helder te houden en de afvalstoffen van de vissen te verwerken. In een natuurlijke vijver, waar geen pompen en filters zijn, wordt deze taak overgenomen door de zuurstofplanten. Deze gebruiken dezelfde voedingsstoffen als groenalgen, die het water troebel maken. Deze beide plantengroepen liggen dus voortdurend in concurrentiestrijd. Indien de zuurstofplanten de bovenhand halen, blijft het water helder. Maar als de algen het halen, word het water groen en troebel, waardoor de zuurstofplanten afsterven, bij gebrek aan licht. Aangezien Koi’s karpers zijn, kunnen we helaas geen zuurstofplanten in de vijver toepassen bij halfwas of volwassen dieren (tenzij als groenvoer). De techniek moet hier dus te hulp komen. Wat men ook moge vertellen over filters, en wat voor type U ook uiteindelijk zal gebruiken, een filter dient om het water leefbaar te houden, en als bijkomend voordeel het water helder te houden en niet omgekeerd!

De grootte van een filter hangt af van de hoeveel dieren U wenst te houden en van de netto inhoud van de vijver. Indien U bijvoorbeeld een vijver bezit met een inhoud van netto 5000 liter, met een 10-tal jonge Koi’s, heeft het weinig zin er een filter, bedoeld voor een 1000 liter vijvertje op te plaatsen. Omgekeerd is een filter, bedoeld voor een vijver van 20.000 liter ook weer teveel van het goede. Niet dat deze filter niet alle afval zou kunnen verwerken, maar hij bezit overcapaciteit, die nooit volledig benut zal worden. U dient dus de netto capaciteit van uw vijver te berekenen, en daar de filter op af te stemmen. Als regel voor de pomp dient genomen te worden, dat de vijverinhoud circa 12 maal per dag doorheen de filter moet zijn gestroomd. Deze redenering is echter niet heilig: een vijver, bevolkt door jonge koi’s, die veel minder afval produceren, kan met minder ook volstaan. Maar als de Koi’s groter worden, dan zal men toch verplicht zijn om de filter uit te breiden, om de groeiende stroom afval te verwerken. Ongetwijfeld zullen sommigen onder U zo’n grote doorstroomcapaciteit overdreven vinden. Sta mij toe op te merken, dat een doorsnee Koivijver geen planten bezit om het water helder te houden, en dus een zwaardere filter en pomp nodig zijn, dan voor een "gewone" vijver. Bovendien mag U een filter installeren, 10x zo groot als uw Koivijver: met een te zwakke pomp bereikt u onvoldoende resultaat.

Om een vergelijking te maken: het zou zijn alsof U een aanhangwagen van 1500kg nuttig gewicht koopt, terwijl uw wagen maar 1000kg kan trekken. Ofschoon er verschillende uitvoeringen bestaan, blijft de werking van de filter hetzelfde: het water wordt door een substraat geleid, waardoor, afhankelijk van de aard van dit substraat, er mechanische, biologische of chemische filtratie plaatsvindt.

Mechanische filtering

Het doel van mechanische filtering is door middel van een bepaalde vulling het water te ontdoen van vuildeeltjes die vertroebeling veroorzaken. Deze vulling kan bestaan uit filterwatten, die echter bij vijvergebruik nogal vlug dichtslibben, en dus minder geschikt zijn. Veel beter zijn schuimstofmatten, die veel grover van structuur zijn, en dus minder onderhoud vergen. Door deze grovere structuur verstoppen zij minder vlug, maar laten vuil ook gemakkelijker door. Het is dus nodig om er enkele op elkaar te leggen, zodat er zo weinig mogelijk vuil naar het volgende compartiment kan. Het feit dat deze matten niet zo vlug dichtslibben wil niet zeggen dat ze niet regelmatig uitgespoeld moeten worden! Anders nestelen er zich afvalverwerkende bacteriën in, die het verzamelde vuil gaan afbreken, waardoor het (onzichtbaar) opnieuw in circulatie terechtkomt. En dit is niet de bedoeling van mechanisch filteren. Een uitzondering hierop zijn de zogenaamde vortex-filters.

De werking bestaat erin dat in deze hoge, ronde voorfilter het vijverwater rond circuleert, waardoor de zwaardere vuildeeltjes naar de bodem zakken, zodat dit verwijderd kan worden. Hierna wordt het water verder de filter ingepompt. Aangezien er echter nog steeds in de volgende filterkamer gebruik dient gemaakt te worden van een vorm van mechanische filtering, is het nog maar de vraag of dit systeem wel zo efficiënt is: de lichtere vuildeeltjes ontsnappen hier toch aan het bezinkingsprincipe en dienen dus toch opgevangen te worden door een schuimstofmat of iets dergelijks.

Biologische filtering

Biologische filtering is het belangrijkste proces om de vijver leefbaar te houden: door middel van bacteriën worden de uitscheidingen van de vissen, voedselresten, en alle andere organische stoffen die zich in het water kunnen bevinden afgebroken tot het relatief ongevaarlijke nitraat. Om zoveel mogelijk van deze nuttige bacteriesoorten te kunnen huisvesten in de filter, werden er door de fabrikanten speciale filtermedia gefabriceerd, zij het met wisselende resultaten wat hun bruikbaarheid aangaat.

Aan de keuze van de filtervulling moet voldoende aandacht worden besteed. Dit is het hart van de installatie! De bacteriën die wij nodig hebben zijn soorten die een substraat nodig hebben om op te nestelen. Vrij zwevend in het water vermenigvuldigen zij zich veel moeilijker, en breken zij ook minder afval af, dan wanneer zij zich kunnen vastzetten. Welnu, hoe groter de oppervlakte is die wij hen aanbieden, hoe meer bacteriën zich kunnen nestelen. Gezien het feit dat onze filters een beperkte ruimte hebben, dienen we zo optimaal mogelijke omstandigheden te creëren voor de bacteriën. Dit betekent een constante stroom van zuurstofrijk water, en voldoende voeding, in de vorm van organisch afval. Aan deze voorwaarden zijn gewoonlijk geen problemen verbonden. Maar het substraat is een ander verhaal. Hoe poreuzer filtermateriaal is, des te beter, want dit betekent een grotere oppervlakte en dus…meer bacteriën. Helaas worden de meeste filters gevuld met materialen die allesbehalve poreus zijn! Ik doel hierbij meer bepaald op bioballen en pijpjes. Deze beide, uit kunststof bestaande filtersubstraten worden voorgesteld als uitstekende substraten voor bacteriën. Jammer genoeg zijn zij dit niet. Door het feit dat zij niet poreus zijn, hebben zij, in vergelijking met "klassiekere" filtermaterialen zoals lavasteen of argexkorrels (dit zijn gebakken kleikorrels die zeer poreus zijn) een veel te kleine oppervlakte. Bijgevolg heeft men hiervan veel grotere hoeveelheden nodig dan normaal, om tot een bevredigend rendement te komen. Ik kan U niet anders aanraden dan, indien U deze filtervulling aantreft in uw filter, deze te verwijderen en te vervangen door grove argexkorrels of poreus gesteente. Het enige nut dat deze kunststof filtermaterialen hebben, is dat zij niet verslijten, niet kunnen verstoppen, en er "mooier" uitzien dan de klassieke vullingen! Tenzij een nieuw soort bacterie kan gekweekt worden, die minder substraat nodig heeft, blijven deze biologische wetten nog altijd van kracht.

Biologische filtermaterialen dienen zoveel mogelijk met rust gelaten te worden. De bacteriën dienen namelijk zo ongestoord mogelijk hun werk te doen. Indien de vulling toch te smerig wordt, reinig ze dan in een emmer, gevuld met vijverwater. Op die manier wordt het vuil wel verwijderd, maar blijven de bacteriën min of meer gespaard.

Chemische filtering

Chemische filtratie bestaat erin door middel van Zeoliet, nitrieten en nitraten te laten absorberen en met actieve kool geur- en kleurstoffen te laten opnemen.

Daar onze vijvers doorgaans grote watervolumes bevatten, en Zeoliet/actieve kool maar een beperkte opnamecapaciteit heeft, zouden we zeer grote hoeveelheden moeten gebruiken teneinde enig nuttig effect te bekomen. Dit is dus eigenlijk te duur om te gebruiken en laten we hier dus verder buiten beschouwing.

UV-bestraling

UV-bestraling van het water is een techniek die in de vijver toegepast wordt, niet om te steriliseren, maar wel om "groen water" te bestrijden. Aangezien we geen zuurstofplanten kunnen gebruiken in onze Koivijver, om de tot nitraten verwerkte afvalstoffen op te nemen, hebben we een probleem. De groene zweefalg, die niet geconsumeerd kan worden door onze Koi, kan zich, vanaf het ogenblik dat de zon ‘s zomers het water voldoende heeft opgewarmd, explosief vermenigvuldigen door het overaanbod aan voedsel en licht. Het resultaat is dan ook "erwtensoep". De technisch minst vervuilende manier is dan UV-bestraling. Men leidt het algenwater door een buis, waarin zich een lamp bevindt, die qua model veel doet denken aan een TL-lamp. De binnenzijde is echter niet bedekt met een laag fluorescentiepoeder, en de lamp zelf is gemaakt uit glas dat UV-straling doorlaat. De zweefalgen worden gedood door de straling, en kunnen daarna verwerkt worden door de filter.

Chemische preparaten

Chemicaliën hebben uiteraard ook effect, maar slechts tijdelijk: zo gauw het product uitgewerkt is, komen de algen terug. Vandaar dat deze manier op langere termijn onpraktisch is. Indien uw vijver echter maar enkele uren per dag door de zon wordt beschenen, in plaats van de hele dag, is er natuurlijk een goede kans dat U helemaal geen UV-bestraling nodig heeft. Maar dit is iets wat U slechts proefondervindelijk kan vaststellen. Afwachten is dus de boodschap.

Een beek

Wie evenwel de plaats heeft om een beekloop aan te leggen, goed begroeid met moeras- en zuurstofplanten, bezit de beste algenbestrijder. Deze methode duurt uiteraard langer om resultaat te boeken (de planten moeten groeien !), maar is veel decoratiever dan een UV-bestraler. Daarnaast werkt de beekloop ook als biologisch filter. Afgezien van het feit dat men uiteraard ruimte nodig heeft (1 meter beekloop filtert ongeveer 1000 liter vijverwater), zijn hier geen nadelen aan verbonden.

De eiwitafschuimer

Opmerkelijk genoeg is er nu ook een eiwitafschuimer beschikbaar voor de vijver. Ik noem dit merkwaardig, omdat een eiwitafschuimer alleen effectief is in ZEEWATER. Zeewater bevat gemiddeld 35gr. zout per liter. Door deze hoge zoutconcentratie is het mogelijk zeer fijne luchtbelletjes te creëren, veel fijner dan in zoetwater. Hierdoor kunnen eiwitten, die het water belasten, aan deze luchtbelletjes "kleven" en verzameld worden in een beker bovenop de eiwitafschuimer. Aangezien zoetwater te weinig zouten bevat, om dit proces mogelijk te maken, (de luchtbelletjes worden onmiddellijk grover) werkt een eiwitafschuimer hier NIET!!! Het enige nut van dit apparaat in zoetwater is dat van beluchter.

Opstarten van de vijver

Ervan uitgaande dat U uw vijver hebt uitgegraven zonder al te veel rugklachten, de folie/prefabvijver en de filter geïnstalleerd is, kunt U hem laten vollopen. Aangezien het water uit de kraan te koud is, en nog vol ongewenste gassen zit (luchtbelletjes op de wanden), dient U de vijver gedurende een week met rust te laten. In tussentijd kan het water opwarmen, en kunnen de gassen in de juiste verhoudingen komen. De filter kan natuurlijk al wel opgestart worden. Het water is echter, biologisch gezien, nog "dood". Om dit te verhelpen kunnen we het water enten met bacteriën. Dit kan gebeuren met een preparaat uit de handel, of wat vuil filtermateriaal uit een andere, goed draaiende vijverfilter. Indien U planten gebruikt in de vijver komen de benodigde bacteriën er zo ook in.

Het is wel merkwaardig dat, indien U een preparaat uit de handel gebruikt, men wel op de verpakking vermeldt hoe goed dit product is, maar dat men nooit vermeldt dat deze beestjes te eten moeten hebben! In een kale vijver valt er weinig te halen voor onze bacterieculturen. Gooi dus in de vijver of filter iets dat kan rotten: vlokkenvoer, sticks, desnoods wat tafelresten. Overdrijf hiermee echter niet. Een volle emmer bespoedigt de aanwas van bacteriën niet, maar wel die van zweefalgen. Een handjevol voer is voldoende. Evenmin is het nodig om deze bacteriekuur te blijven herhalen. Eenmaal het biologisch evenwicht gevestigd is, blijft dit ook. Is er wat meer voer, zal de bacteriekolonie in uw filter aangroeien, is er dan weer wat minder, zal zij inkrimpen. Voortdurend een nieuwe bus bacteriën kopen, om aan te vullen is weggegooid geld. De extra bacteriën, die U hiermee introduceert, vinden immers onvoldoende voer, en sterven na een tijdje af. De UV-lamp laten we wel tijdens de opstartperiode uit. Na 2 à 3 weken, en indien we geen nitriet meten, kunnen we bijvoorbeeld enkele goudvissen als proef uitzetten. Indien na 14 dagen deze dieren nog steeds gezond zijn en goed eten, kunnen we de eerste Koi’s introduceren. Tegelijkertijd zetten we de UV-lamp aan.

Verzorging van de Koi’s

Zo gauw U met uw Koi’s thuis arriveert kunt U 2 dingen doen: U kunt de dieren zonder veel "complimenten" in de vijver kieperen, of U kunt de zak, waarin zij zich bevinden, eerst een half uurtje laten drijven op het water, zodat de temperatuur in de zak zich kan aanpassen aan de temperatuur van het vijverwater. Om de 10 - 15 minuten vermengt U dan wat vijverwater met het water waarin de dieren rondzwemmen, zolang totdat de verhouding minstens 50/50 is. Op die manier zal de schok voor de vissen zo beperkt mogelijk blijven. Bij de eerste methode is het risico op ziekte of dood aanmerkelijk groter.

Desondanks blijft het zaak gedurende de eerste dagen de vissen zeer nauwkeurig in het oog te houden. Het is namelijk zo dat vele Koi’s bij de handelaar rondzwemmen in "steriele" bakken. Het water, dat uit de filters komt, wordt intensief bestraald met bacteriedodende UV-stralers, en soms krijgen de dieren zelfs preventief antibiotica! Het resultaat is helaas dat volledige Koibestanden zo week worden dat ze een sterk verminderde weerstand hebben tegen ziekteverwekkers. Toen ik in 1997 een 10-tal jonge Koi’s aanschafte, en in een beplante, maar met een filter (zonder U.V.) uitgeruste vijver uitzette, werden ze allemaal ziek. Terwijl op hetzelfde ogenblik enkele goudvissen volop kuit aan het afzetten waren. Aan de waterkwaliteit lag dit dus niet, wel aan het feit dat dit een natuurlijke vijver was, met een normale bacterieconcentratie en dus zeker niet steriel te noemen. Uiteindelijk moest er voer met antibiotica verstrekt worden, om de infectie de baas te kunnen. Toch was er een uitval van 20%. Nu, 2 jaar later, zijn de overige Koi’s geharde vissen, die probleemloos in een natuurlijke vijver overleven, en toch niets inboeten aan kleurenpracht. Let dus op als U Koi’s aanschaft, dat de dieren niet ziek worden na enkele dagen. De symptomen zijn: schommelende en/of schokkerige zwembewegingen, weinig eetlust, en apathisch gedrag, echter zonder zichtbare oorzaak. Het zou wel eens een infectie kunnen zijn, en dan is snel ingrijpen een noodzaak. Zo gauw de dieren echter gehard zijn, zijn ze net zo sterk als elke andere vijvervis, en zijn ziekten ronduit zeldzaam te noemen.

De voeding speelt bij het gezond houden van onze vissen een cruciale rol. Slecht of te weinig voer maakt dat de dieren snel zullen vermageren, en dus vatbaar zullen worden voor ziektes. In de handel is verschillend Koivoeder te koop, die alle voldoen. Kleurbevorderend voer geniet wel de voorkeur: het versterkt de kleurenpracht van de Koi’s, en daar is het ons toch om te doen. Een nuttige aanvulling op het menu zijn draadalgen. Probeer deze niet te bestrijden zolang ze niet te fel woekeren, want de Koi’s zijn er verzot op. Aangezien koi’s karpers zijn, zullen ze de wanden van de vijver, waarop de draadalg groeit, wel afgrazen. Verder is het vooral zaak om zo te voeren, dat alles op is in 5 à 6 minuten en dit 3 à 4 maal per dag, steeds in kleine porties.

Koi’s zijn beroemd om hun "aaibaarheid" bij het voederen, al dient gezegd te worden dat men een goudvis net zo tam krijgt. Laat U verder niet verleiden om voortdurend te voederen. Alle vissen hebben gemeen dat, ook al barsten ze bijna, ze nog komen bedelen om voer. De meeste Koi’s sterven eerder van teveel, dan van te weinig voer. Een dagje vasten per week kan dan ook zeker geen kwaad.

Water verversen dient eveneens te gebeuren, en wel 10% per maand in onbeplante vijvers. Aangezien er geen planten zijn, die het nitraat opnemen, dat door onze filter wordt geproduceerd, loopt de concentratie steeds hoger op. Waarden van 800mg/liter of zelfs hoger zijn niet denkbeeldig, en ondanks het feit dat vissen, mits ze langzaamaan hieraan kunnen wennen, er geen hinder van ondervinden, mag men het niet zo ver laten komen. Dus: water verversen! In beplante vijvers, of met een beekloop, is een hoge nitraatwaarde minder mogelijk, mits de planten goed groeien. In dit geval is een 2-jaarlijkse waterwissel van 25% elke maal voldoende, eenmaal in het voorjaar, en eenmaal in de herfst. Dus eigenlijk vlak voor, en vlak na de sterkste groei van de planten.

Tot slot

Indien U op een mooie dag besluit om ook Koi’s te gaan houden, hol dan niet meteen naar de winkel, maar probeer bij een hobbyvriend eerst wat advies in te winnen. Bekijk hoe zij hun vijver hebben aangelegd, en ga pas dan over tot aankoop, zo bent U al wat beter geïnformeerd en vermijdt U miskopen.
Verder kan ik alleen nog zeggen dat het begin weliswaar een hoop werk is, maar nadien zullen Koi’s U ongetwijfeld vele jaren plezier en voldoening schenken!

 
RocketTheme Joomla Templates