FY011.jpg
Steatocranus irvinei Afdrukken

Originele beschrijving: Trewavasas, E. 1943, Ann. Mag. Nat. Hist.(11) X:186; als Gobiochromis irvinei.
Etymologie: steatos (Grieks) = dik + kranion (Grieks) of cranium (Latijn) = schedel,
refererend naar de voorhoofdsbult die sommige soorten vertonen, irvinei: ter ere van Dr. F.R. Irvine die de type dieren ving.
Synoniemen:

  • Gobiochromis irvinei (Trewavas, 1943)
  • Leptotilapia irvinei (Trewavas en Irvine, 1947)
  • Steatocranus irvinei (Roberts en Stewart, 1976)

 Niettegenstaande deze soort in het geslacht Steatocranus is ondergebracht, bestaat er toch twijfel gezien de morfologische verschillen met de andere soorten in het geslacht.

Verspreiding

Voor zover geweten is deze soort endemisch aan het Volta stroomgebied in Ghana.
Dat betekent dat deze soort veraf leeft van de andere Steatocranus-soorten uit het Zaïrebekken.

Ecologie

Deze soort komt voor in snelstromend water rijk aan opgeloste zuurstof. Zoals andere reofiele cichliden heeft Steatocranus irvinei een gereduceerde zwemblaas. Weinig drijfvermogen is een voordeel in dergelijke snelstromende wateren. Het water in het Volta bekken is zacht, met een licht zure pH, al kan het op sommige plaatsen ook wel licht alkalisch zijn. Afhankelijk van het seizoen en het moment van de dag schommelt de temperatuur tussen 25 en 29 graden Celsius. Het natuurlijke dieet is onbekend, maar bestaat vermoedelijk uit kreeftachtigen, misschien ook wat algen. Steatocranus irvinei broed in een hol en zet de eieren af op het substraat.

Beschrijving

De morfologische gegevens zijn voor de eenvoud achterwege gelaten. De snuit is iets voorover hangend en de bek staat ietwat naar onderen. De ogen staan hoog op de kop en vrij dicht bij elkaar. Het gestroomlijnde lichaam is licht tot medium grijs met een blauwgroenachtige zweem. Een paar bruine lengtestrepen op de flanken zijn soms zichtbaar (afhankelijk van de stemming van de dieren). Er zijn 7 dwarsbanden die ook weer niet steeds zichtbaar zijn. Een lichte, vale streep loopt van de ogen naar de lippen toe. De rugvin heeft een fijne witte boord en op het einde bevindt zich een "tilapia-vlek". De lippen zijn mooi metaalblauw, en deze kleur is verder nog enigszins zichtbaar op de kop en in de vinnen. De "tilapia-vlek" is meer uitgesproken bij volwassen vrouwen, dan bij mannetjes. Mannelijke exemplaren worden groter en hebben doorgaans puntiger vinnen. De lippen van de mannen zijn ook iets blauwer.

Verwante soorten

Deze soort is zal niet snel verward worden met de andere soorten uit het geslacht Steatocranus. S. irvinei is merkelijk langer gebouwd dan de andere soorten, behalve dan in vergelijking met S. tinanti, welke dan weer geen blauwe lippen heeft. Net als S. tinanti heeft S. irvinei geen voorhoofdsbult, van de welke de geslachtsnaam is afgeleid. Alleen S. mpozoensis heeft ook de overhangende neus en onderstandige bek, maar voor de rest wijkt deze volledig af van S. irvinei. S. irvinei is de grootste soort binnen het geslacht, en de enige met schubben bovenop de kop.

In het aquarium

Alhoewel volwassen mannelijke dieren slechts 15 cm groot worden, is een aquarium met minimale afmetingen 120 x 30 x 40 cm nodig om voldoende territoriale ruimte over te laten buiten de broedtijd - er worden namelijk geen blijvende paren gevormd. In een goed gebouwd biotoop aquarium kan men ze gerust samen houden met andere Steatocranus-soorten.

Waterkwaliteit is een gevoelig punt! Ammoniak en nitriet moeten beneden het indicator niveau liggen (nul) en het nitraat gehalte moet beneden 25 ppm gehouden worden, wat zeer regelmatige waterverversing impliceert (25 % per week). Het zuurstofgehalte in het water moet hoog zijn, zonder overdreven turbulentie; filter uitstroom aan het oppervlak en extra beluchting kunnen helpen. Een oxydator is hier ook zeker aan te raden. Het water moet zacht en licht zuur zijn, al is de kweek ook al geslaagd in licht alkalisch water.

De decoratie bestaat uit stenen, mogelijk ook wat kienhout om voldoende holen en schuilplaatsen te creeeren. Het substraat bestaat bij voorkeur uit fijn, donkerkleurig zand of grind. Verlichting beperken tot een absoluut minimum, invallend daglicht is OK. Planten zijn niet nodig. De vissen nemen voedsel vanop de bodem en in de middelste waterlagen. Aan dit voedsel stellen ze weinig eisen en nemen vlot levend, diepvries en droogvoer aan. Regenwormen stellen ze zeer op prijs, en deze kunnen de dieren in broedconditie brengen.

Kweek

Het seksen van volwassen dieren is vrij gemakkelijk en het is daarom mogelijk om zich een stel volwassen dieren aan te schaffen. Het is belangrijk om de dieren nauwlettend te observeren, en eventueel een scheidingsruit in het aquarium te plaatsen om de dieren aan elkaars aanwezigheid te laten wennen. In een groot aquarium (groot genoeg voor 3 territoria) kan de aanwezigheid van een derde exemplaar bevorderlijk zijn; niet tegenstaande vrouwelijke exemplaren niet dikwijls worden opgejaagd door een verliefde man, zal een tweede vrouw voor de nodige afleiding zorgen, terwijl twee even grote mannen elkaar normaal zonder bloedvergieten bezig zullen houden.

In een diep hol zet S. irvinei af op het plafond van het hol. Als de dieren in optimale omstandigheden worden gehouden, en goed gevarieerd gevoederd worden zal de vrouw snel in broedconditie verkeren. Zij kiest het hol, wat ze minutieus schoonmaakt. Hierbij kan letterlijk een 'berg' verzet worden. De vrouw wordt nu diep paars van kleur en de vlek in de rugvin wordt nu veel opvallender.

De paarvorming is op te merken doordat de dieren meer in elkaars omgeving vertoeven, en ze kunnen zelfs de zelfde holen bewonen. Uiteindelijk zet het wijfje 30 tot 50 groene eieren af op het plafond van het uitgekozen hol. De man zwemt door het hol en bevrucht de eitjes. De vrouw bewaaiert de eieren, bewaakt de jongen van nabij, terwijl de man in de onmiddellijke omgeving patrouilleert en alle indringers op afstand houdt.

De jongen worden 7 tot 10 dagen na het afzetten opgemerkt en zijn - zoals typisch is voor alle reofiele West-Afrikaanse cichliden - groot. Soms zijn ze 12 mm groot bij het initiele vrijzwemmen. Men veronderstelt dat hun grootte ervoor zorgt dat ze niet gemakkelijk weggeslagen worden door de stroming. De jongen nemen direct pas uitgekomen Artemia en micro-wormen aan, waarna ze algauw Cyclops en fijngewreven droogvoer eten.

Het paar verliest snel zijn broedkleuren, maar ze dulden nog een lange tijd de opgroeiende jongen in hun individuele territorium.
Het is niet ongewoon dat een koppel meerdere nesten van verschillende ouderdom onder zijn hoede heeft.

 

Referentie: British Cichlid Association (BCA) Information Pamphlet 158.

 

 
RocketTheme Joomla Templates