Barbus_congicus_4.jpg
Mysterieuze eieren Afdrukken

 

uit Cichlid News juli 1998.

Elke cichlide komt uit een ei, en toch weten we weinig over cichlideneieren. We weten dat ze variëren in kleur, vorm, grootte en dat er verschillende soorten broedzorg bestaan.

Maar wat betekent nu deze variatie? Is het belangrijk ?

In de laatste jaren ben ik ontzettend gefascineerd in deze variatie. In deze uiteenzetting zal ik één van mijn eigen publicaties herzien, die ik samen heb geschreven met Alison Galvani van de Oxford universiteit. Het document onderzoekt de relatie tussen de eigrootte en de grootte van de nakomelingen. Het heeft bovendien interessante suggesties voor wetenschappers en liefhebbers.
In het geslacht Cichlidae, vershillen de eiren van microscopisch klein (Microgeophagus ramirezi) tot de massieve eieren van sommige Afrikaanse muilbroeders (Cyphotilapia frontosa). Voor cichlidenkwekers wordt het opmerkelijkste resultaat van deze verschillen meteen duidelijk: terwijl een kleine M. ramirezi meer dan honderd eieren produceert, produceert daarentegen zelfs de grootste C. frontosa slechts enkele dozijnen. Het waarom heeft te maken met “hoe” cichliden deze eieren maken. Wanneer een vis gaat kweken heeft hij een beperkte hoeveelheid aan energie en grondstoffen ter beschikking (zoals proteïnen, vet, enz.) die hij kan gebruiken om te overleven en te groeien. Dit materiaal wordt in de eieren gestopt. Van hieruit zijn er verschillende manieren waaruit de vis kan verdergaan. Veel zoogdieren bijvoorbeeld, verdelen hun bronnen over een set embryo’s, meestal een klein aantal. Als er meer bronnen ter beschikking zijn, zal de moeder grote nakomelingen ter wereld brengen; maar wanneer er een tekort is aan voedsel dan brengt de moeder kleinere nakomelingen ter wereld.

Cichliden werken niet op deze manier. Zij maken eieren van een welbepaalde grootte. Het aantal varieert afhankelijk van de hoeveelheid bronmateriaal er ter beschikking is. Dit proces is vergelijkbaar met het maken van koekjes; ze moeten allemaal van dezelfde grootte zijn, anders passen ze niet in het koekendoosje. Zo ook gaat het cichlidenvrouwtje tewerk: ze produceert eieren van exact dezelfde grootte maar wanneer de bronnen zijn opgebruikt is het aantal eieren bepaald. Met andere woorden: wanneer een vrouwtje goed te eten krijgt voor de eiafzetting zal zij niet grotere eieren afleveren maar wel meer eieren afleggen. Er kan misschien een klein verschil optreden in grootte, maar over het hele legsel gezien zijn ze alle van dezelfde grootte.
De constantheid der grootte van de eieren houdt steek voor alle vrouwtjes in een soort, maar niet voor alle vrouwtjes tussen soorten. Het was dit contrast dat mij intrigeerde. Het veronderstelt dat cichlideneieren worden gevormd tot een exacte grootte volgens elke soort.
Welke factoren konden zo belangrijk zijn dat een Amatitlania nigrofasciatum-ei anderhalve millimeter groot is in diameter, terwijl het ei van een Pterophyllum scalare slechts 1.3 mm groot is?
Het meest logische standpunt tot het antwoord op deze vraag was het bekijken van de pas ontloken larven. Natuurlijk als je de larfjes zou zien van de C. frontosa en deze van de M. ramirezi, is er geen twijfel: grotere eieren = grotere larven. Maar wat als de verschillen kleiner zijn? Is het belangrijk dat de eieren van de Amphilophus longimanus (1.4 mm) kleiner zijn dan deze van de Amatitlania nigrofasciatum (1.5 mm)? Speelt dit echt een rol? Of zijn deze kleine verschillen veroorzaakt bij een een nietszeggende en onbelangrijke variatie in de kleine opname van water door het eitje bij het verlaten van het lichaam van het vrouwtje? Het antwoord is JA, het is belangrijk.

Om tot deze conclusie te komen, hebben Alison Galvani en ik, een groot aantal soorten van neotropische cichliden gekweekt over een periode van drie jaar (Coleman & Galvani, 1998). We verkregen hierbij data over 26 soorten (de meeste uit de “Cichlasoma” groep). De grootte van de eieren varieerde hier van 1.2 tot 1.4 millimeter. Door het nemen van stalen van zowel de eieren, als van de larven (1e dag na het kippen) en het meten van deze onder een microscoop tot op hondersten van een millimeter; kwamen we tot een duidelijke vaststelling. Kleinere eieren geven kleinere larven. Wat betekent nu dit alles: de grootte van de eieren is niet toevallig. We stelden dat het vrouwtje in feite larven produceert van een specifieke grootte. Als we begrijpen waarom we veel jongen hebben van A. nigrofasciatum en maar enkele tientallen van C. frontosa dan moeten we nog te weten komen wat de voor-en nadelen zijn van het hebben van kleine of grote larven.
Bijvoorbeeld: kunnen grotere larven andere dingen eten? Of kunnen grotere larven gemakkelijker predatoren ontwijken? Of kunnen grotere larven zwemmen in sneller stromend water dan de kleinere larven? Hoe groot moeten de voordelen dan wel zijn om het kleiner aantal eieren te kunnen verantwoorden? Wanneer is het goed om veel kleine eitjes te leggen? Dat zijn de vragen waarmee we nu bezig zijn. Nog een laatste bedenking: zou het kunnen dat deze kleine verschillen ons oplossingen kunnen verschaffen in de oude puzzel over het groeien van cichliden. Mensen die enorme hoeveelheden jongen grootbrengen, merken wel eens op dat de jongen helemaal niet gelijk opgroeien. Sommige van de jongen groeien wel buitensporig, terwijl er ook altijd een heel deel achterblijvers zijn. Wetenschappers verklaren wel eens dat dit te wijten is aan het hebben van betere genen.

Doch onze voorlopige resultaten doen uitschijnen dat deze uitschieters net dat ietsje meer hebben meegekregen aan bronmateriaal in het ei. Zij kwamen ook iets groter uit het ei als larf en groeiden sneller dan hun broers en zusters. Zij hadden onmiskenbaar een kleine voorsprong in het ei en daar hebben ze zelfs weken en maanden later nog het voordeel van. Bij onze testen had het verwijderen van de grootste larven of jongen uit de groep geen enkele invloed op de verdere groei van de kleinere larven of jongen. Er zijn nog veel meer mysteries rond cichlideneieren. Om deze te kunnen doorgronden is het noodzakelijk een echte cichlideneieren-database te bezitten. Jammer genoeg bestaat er zo geen in de wetenschap of literatuur.

Om hieraan te verhelpen startte ik het “Cichlid Egg Project”. De bedoeling was om van liefhebbers een zeer klein beperkt aantal eieren te bemachtigen van de cichliden die zij houden. Ik meet de eieren en plaats de informatie op het internet: http://cichlidresearch.com Ondanks de vele inspanningen van tientallen liefhebbers, kwekers en handelaren over de hele wereld hebben we nog maar een volledig gedocumenteerde ei-database van iets meer dan 200 cichlidensoorten. eigenaardig genoeg zijn er vele soorten die veel worden gehouden in de liefhebberij waarvan ik nog geen data heb kunnen vastleggen? Toch ga ik onvermoeibaar door met het project. Als u geïnteresseerd bent om betrokken te raken bij dit project. Ontdek onze website of email mij: rcoleman@cichlidresearch.com. Collectief kunnen we dan misschien enkele raadsels van de mysterieuze eieren oplossen.

Coleman, R.M & A.P. Galvani, 1998 Egg size determines offspring size in neotropical cichlid fishes (Teleosteo: Cichlidae) Copeia 1998: 209-213. 

 

 

 
RocketTheme Joomla Templates