Marsilea_drummondii.jpg
Paratilapia polleni Afdrukken

Madagascar is een echt buitenbeentje. Vroeger maakte het deel uit van het zuidelijk supercontinent waarvan de fragmentatie Australië, Antartica, Indië, Afrika en Zuid-Amerika vormde.

Paratilapia polleni (Bleeker, 1868) is een bedreigde cichlide uit Madagascar. Madagascar heeft, sinds het bijna 165 miljoen jaar geleden van Gondwana afsplitste, in haast totale isolie voort bestaan. Door die lange isolatie heeft de fauna en flora er evolutionaire lijnen kunnen volgen; die totaal verschillend zijn, aan deze die we kennen van op het Afrikaanse vasteland of waar dan ook ter wereld. Reeds meer dan 200 jaar onderstrepen biologen de verwondering van de 18e-eeuwse natuurkenner Commerson omtrent de eindresultaten van deze parallelevolutie. het is dus allesbehalve verbazingwekkend dat vele werken over deze unieke biotoop van Madagascar zich vooral  hebben toegespitst op hoogst ongewone landorganismen, zowel uitgestorvene -zoals Aepyornis; de zwaarste bekende niet-vliegende vogel- als de nog bestaande - zoals de ontelbare kameleonsoorten.
Nu wetenschappers meer vertrouwd zijn geraakt met de fauna en flora van Madagascar; is het eveneens duidelijk geworden, dat dankzij die isolatie, phylogenetisch primitieve soorten die elders reeds lang vervangen zijn door verder geëvolueerde vertegenwoordigers van hun respectievelijke geslachten, kunnen voortbestaan hebben. De talrijke Maki-soorten zijn zonder enige twijfel de meest bekende van Madagascar zijn 'levende fossielen'.

Echter, behalve enkele ichtyologen, weten weinigen dat Madagascar een gevarieerde waaier van endemische zoetwatervissen heeft; die fundamenteel in dezelfde relatie staan met hun verwanten van buiten Madagascar. Van de kant van het grote publiek is deze onwetendheid heel wat makkelijker te begrijpen dan deze van de fanaten van de tropische vissen.
De zoetwaterfauna van Madagascar is rijk aan soorten die uitstekend als siervis zouden kunnen dienen. Met uitzondering van Pachypanchax omalonotus (Dumeril, 1861) en de populaire regenboogvisen van Madagascar van het geslacht Bedotia; is deze fauna erg ondervertegenwoordigd bij de aquariumvissen. In dit verband zijn het vooral endemische cichliden van Madagascar die het vermelden waard zijn. 11 van de 32 vissoorten uit Madagascar; die hun levencyclus voltrekken zonder naar de zee te trekken; zijn leden van de familie van de Cichlidae. Deze endemische cichliden zijn aantrekkelijk genoeg gebleken om, op zijn minst één ichtyoloog er toe te bewogen te voorspellen dat ze bij cichlidenliefhebbers in de smaak zou vallen (Keiner, 1963) Niettemin is vanaf de jaren 1980 maar één enkele vertegenwoordiger van deze cichliden - Paratiliapia polleni, Bleeker 1868 - ooit levend buiten Madagascar te zien geweest. Net voor de Tweede Wereldoorlog waren exemplaren te bekijken in de dierentuin van de 'Jardin des Plantes' in Parijs; maar men is er nooit in geslaagd om deze in gevangenschap te laten voortplanten (Catala, 1977). Ondanks hun mogelijkheden, bleven de endemische soorten van Madagascar, een aquaristiek nul (Loiselle, 1985)

Deze situatie weerspiegelde in grote mate, zowel de relatieve ontoegankelijkheid van Madagascar voor potentiële verzamelaars van aquariumvissen, als de moeilijkheden die gepaard gaan met het verzamelen en exporteren van dieren uit Madagascar. om nog maar te zwijgen van de onzekerheid die kwam kijken bij elke poging om een aquariumbevolking te starten met een heel beperkt aantal oorspronkelijke vissen (Bardin, 1983). Hoe dan ook; was de onbeschikbaarheid van aquariumstocks van cichliden uit Madagascar net zo frustrerend voor vorsers, als voor aquariumliefhebbers. Krachtens hun basispositie binnen de familie, zijn de endemische soorten cichliden van Madagascar, zeer goed geplaatst om enig licht te werpen op de evolutie van het ouderlijke gedrag bij cichliden. Op basis van korte verslagen, van enkele Franse biologen die de kans hadden om ouderlijke dieren ter plaatse te observeren (Catala, 1997 - Keiner, 1963 - Keiner en Mauge, 1966), was het geweten dat verscheidene soorten; substraatbroeders waren: waarbij beide ouders aan de broedzorg meehielpen. Laboratoriumonderzoek, wat nodig is om een volledig inzicht te krijgen in hun voortplantingsbiologie, bleef echter uit, in afwachting van de invoer van levende cichliden uit Madagascar.

In 1988 lieten Drs. Melanie Stiassny en Peter Reinthal - die toen beiden werkten op het American Museum of Natural History - me weten dat ze de nodige financiën hadden gekregen om naar Madagascar vangsten te gaan doen. Beiden stonden open voor het idee om zowel levend als geconserveerd materiaal te proberen meebrengen. Ik zorgde voor plastiek zakken en allerlei materiaal voor levensonderhoud; ik kwam tot vervelens toe aandraven met raadgevingen over houden en transporteren van levende vissen en het inpakken ervan voor transport, ik wenste hen bij vertrek goede reis en dito vangst en bleef dan ongeduldig op het resultaat van hun onderneming wachten. Het blijde gevoel te horen dat ze veilig waren teruggekeerd; werd enkel overtroffen door mijn enthousiasme toen Melanie me vertelde dat ze er in geslaagd waren om levende exemplaren van een Bedotia phenotyp en 2 Madagascar cichliden, waaronder Paratilapia polleni, het meest primitieve van alle bekende levende leden van de familie, mee te brengen.
Zij en Peter stelden me gewillig een aantal wildvang exemplaren ter beschikking voor foto's en observatie en toonden zich nog meer vrijgevig; toen ze mij een aantal jongen schonken als resultaat van een eerste succesvolle kweek van deze soort in gevangenschap. de hierna volgende waarnemingen over het algemeen gedrag van deze soort zijn gebaseerd op mijn ervaringen met zowel wildvang als nakweek. terwijl de waarnemingen over het voortplantingsgedrag; enkel op de nakweekexemplaren slaat.

Paratoilapia polleni is een cichlide van een middelmatige grootte. Hij kan een lengte van 30 cm bereiken, hoewel exemplaren van 20cm door de hedendaagse vissen als groot bestempeld worden (Raminosoa, 1979). Oppervlakkig bekeken, vertoont zijn uitzicht meer gelijkenissen met Meso-Amerikaanse (= het gebied van Mexico tot Nicaragua) cichliden dan met eender welke Afrikaanse cichlide. het kleurenpatroon van territoriale volwassendieren doet ietwat aan de "diamanten zonnevis' Enneacanthus glorosus -Holbrook,1855- denken.  
Of aan het geslacht Calloplesius.
Het lijkt weinig op dat van enig andere cichlide: hoewel het voorkomen van de zogenaamde "Pelmatochromisvlek' op de rugvin van de jongere dieren en de sexueel inactieve volwassen vissen  die West-Afrikaanse afkomst oproept.

Dit kenmerkend kleurenpatroon vindt men terug in de 'Merina'naam 'Marakely' (= zwarte vis) -Raminosoa, 1979-, de inheemse aanduiding waarvoor Paratilapia polleni gekend is op het dichtbevolkte plateau van het eiland en langs een groot deel  van de oostkust. Aangezien deze inheemse naam in zowel wetenschappleijke (Keiner, 1963: Keiner en Mauge, 1966) als Franse aquaristiek (Bardin,1983; Catala,1977; Nourissat, 1992) literatuur voorkomt: stel ik hierbij voor om hem aan te nemen als de Engelse gangbare naam voor deze cichlide.

Het geslacht van 'Marakely' is gemakkelijk te bepalen. Mannetjes worden een derde groter dan de vrouwtjes. op een bepaalde leeftijd hebben ze een langwerpiger lichaam, heeft hun kop een meer afgerond profiel en vertonen ze een langere , meer puntige rug- en aarsvin. Dit onderscheid is duidelijk bij dieren van 6 maand oud en wordt bij het ouder worden nog meer uitgesproken.
Minder verschil is er in de kleuren. Volgens Raminosoa  (1979) is het patroon van blauw en glinsterend goud meer intens bij mannetjes dan bij de vrouwtjes. Dit bleek ook het geval voor de grootouders van mijn vissen (Stiassny en Gerstner, 1992). Bardin (1983) toont echter een foto van een sexueel actief paartje Paratilapia polleni: waarop het wijfje duidelijk het meest glinsterende kleuren toont. Onder de nakomelingen van het paartje dat door Stiassny en Gerstner bestudeert is; zijn de geslachten, wat kleuren betreft, ofwel niet te onderscheiden... ofwel toont het wijfje een minder grote glinstering dan het mannetje. Gezien de grote verschillen bij deze vaststellingen; lijkt het kleurenpatroon geen betrouwbare indicator voor de geslachtsbepaling.

De soort wordt groot genoeg om ze onder de eetbare vissen in te delen. Voortgaande op commentaren over de smaak van het vlees in vroegere rapporten over de natuurlijke historie van deze soort (Bleeker en Poll, 1875) was de "Marakely" gedurende langere tijd als zodanig zowel bij de autochtone bevolking, als bij de bezoekers van Madagascar geliefd.
Op basis van bestaande gegevens is het onmogelijk om over zijn vroeger economisch belang te oordelen. Toch mogen we besluiten dat deze essentieel solitaire carnivoor nooit in diezelfde mate werd gevangen, dan de herbivoor "Dambas" van het geslacht Paretroplus dambabe of de omnivoor 'Saroy' Ptychochromis oligoacanthus (Bleeker, 1864)

 

 
RocketTheme Joomla Templates