FY015.jpg
Labeotropheus trewavasae Afdrukken

 

 

De meren van de Oost-Afrikaanse slenk zijn het paradijs van de muilbroedende cichliden.
Vooral het Malawimeer wordt voor het grootste deel – met zo'n 200 soorten cichliden ten opzichte van slechts ca. 50 soorten uit andere visgroepen – overheerst door deze visfamilie.

Een dergelijke  dichtheid met nauw aan elkaar verwante dieren zou een grote concurrentie betekenen wanneer de soorten niet gespecialiseerd waren of verschillende ecologische niches zouden bewonen. De grote selectiedruk, die eens van die concurrentie stamde, is ook toe te schrijven aan het tempo en de enorme verscheidenheid waarmee hier de evolutie de vele verschillende aangepaste cichliden voortbracht.

Onder die vele kleurige Mbuna's vallen vooral de Labeotropheus soorten op met hun eigenaardige tapirgezicht. Hun opvallende neus ontstaat door de ver naar achteren geplaatste onderstandige bekopening. De buitengewoon aangespaste raspbek stelt deze dieren in staat in horizontale zwemhouding voedsel van de steenoppervlakken af te raspen en tegelijk vluchtklaar te zijn.

In de wetenschappelijke literatuur is het geslacht Labeotropheus al meer dan 50 jaar bekend.
Ahl beschreef reeds in 1927 Labeotropheus feulleborni.
Het was pas in 1956 dat Fryer Labeotropheus trewavasae beschreef, genoemd naar de Londense ichthyologe Ethelwynn Trewavas.

Deze soort onderscheidt zich van Labetropheus feulleborni door de slankere vorm. De mannetjes bereiken max. een lengte van 18 cm, maar met zijn 15 cm in het aquarium meestal al uitgegroeid. De wijfjes blijven met de ca. 12 cm lengte wat kleiner. De kleur van de endemische Malawi cichliden in zijn geheel te omschrijven is niet eenvoudig omdat het om een polymorfe soort gaat.

Polymorf betekent : dieren van één soort met verschillende kleur of vorm (de verschillende morfen) naast elkaar levend in hetzelfde gebied. Deze kunnen zich onderling kruisen zonder dat er intermediaire (tussen) vormen ontstaan.

Er bestaan van Labeotropheus trewavasae meerdere lokale varieteiten (verschillende vangplaatsen), die zich duidelijk van elkaar onderscheiden, zowel in kleur als in geringe mate in de lichaamsafmetingen. En het zijn iedere keer de wijfjes van deze geografische rassen die in meerdere kleurenvormen optreden. Men moet de morfen van verschillende lokale varianten niet met elkaar vermengen in één aquarium, om een ongewenste “mix” te voorkomen. Want alle Labeotropheus trewavasae-rassen zijn onderling te kruisen – en onder bepaalde voorwaarden zelfs met Pseudotropheus/Metriaclima soorten. Dat duidt er overigens op de de beide soorten nauw aan elkaar verwant zijn.

De parings-carrousel

Een van de typisch mannelijke gedragsmanieren bij muilbroeders is de baltdans voor het wijfje.
Rug- en aarsvin worden fladderend heen en weer bewogen, de lichaamsas is daarbij met de staartvin naar de kop van het wijfje gericht. Zij kan de waterstroming, die het mannetje opwekt met het hevig fladderen van de ongepaarde vinnen, meestal  alleen weerstaan als ze zich met de kop op de stroming opstelt – dus met de kijkrichting naar het baltsende mannetje gericht.
Zijn oplichtende vlekken in de aarsvin worden daardoor opvallend in het gezichtsveld van het wijfje tentoongesteld en roepen tezamen met de beweging wel een speciale stimulans op. Schijnbaar komt de baltshandeling tegemoet aan een bespoediging van de eirijping bij het aangebaltste wijfje, als deze handeling vaak (dagenlang) herhaald word.
Op een bepaald moment reageert het wijfje dan door het zogenaamde “parings-carrousel zwemmen” in te gaan. De eiafzetting is moeilijk waar te nemen, omdat het zich in een schuilplaats voltrekt welke door de man werd uitgezocht.

Menig Labeotropheus trewavasae mannetje paart alleen in een bepaalde, vertrouwde broedruimte. Voor zover bekend worden de 15-20 mm grote gelige, ondoorzichtige eieren pas in de keelzak van het wijfje bevrucht, omdat ze deze al voor de bevruchting opneemt. Na een incubatietijd van 22-32 dagen, verlaten de 12-14 mm grote jongen voor het eerst de keelzak van de moeder en kunnen zonder moeilijkheden gelijk gevoerd worden met fijn levend- of droogvoer. Moeten de, uit 10 tot 70 dieren bestaande, nakomelingen allemaal groot worden, dan moet men het broederd wijfje al van tevoren in aparte kweekbak met schuilmogelijkheden onderbrengen.

Bij het uitvangen en overzetten is voorzichtigheid geboden, net als bij het voeren van de “drachtige” Labeothopheus moeder, want vooral de onervaren jonge wijfjes neigen ertoe bij dergelijke gelegenheden het broedsel uit te spuwen of in te slikken. Er bestaan onder de wijfjes ook notoire eiereters endat kan de reden zijn dat de kweek van deze cichliden in de literatuur vaak als “moeilijk” wordt aangeduid !

 Terugplaatsen-Gevechten!

Welliswaar eten muilbroedende Labeothopheus moeders matig tijdens de incubatieperiode: ze moeten echter na het vrijlaten van het broed in elk geval enige tijd met goed conditievoer bijgevoerd worden voor ze teruggezet worden bij hun soortgenoten .
(
Wanneer de bevolking in één enkel  aquarium, bestaat uit dezelfde soort Labeotropheus; kan men 'proberen' om vissen 'in- en uit te nemen' tijdens de incubatieperiode. Het is echter ten zeerste afgeraden: Beter is om de wijfjes te voorzien met goede schuilplaatsen waar zij hun broed kunnen uitspuwen en inprenten.  Jongen van deze soort kunnen zich reeds op zeer jonge leeftijd verrassend goed handhaven in een gezelschap van verschillende Mbunasoorten.)

Want die jagen de “nieuweling” een paar dagen na tot ze zich weer heeft aangepast aan de aquariumgemeenschap (lees:  bevochten).

En tot op dit moment vliegen de schubben in het rond! Diegene die meent dat Labeotropheus zich vanwege de bouw van hun bek niet kunnen beschadigen, heeft nog nooit vechtende wijfjes gezien die hun hierarchie langdurig uitvechten volgens vaststaande rituelen. De dieren voeren “bekgevechten” uit, waarbij ze zich in een 45° stand aanzwemmen. Of ze voeren laterale bijtgevechten uit onder voortdurend snel omcirkelen. Daarbij bijt een dier zich iedere keer vast in de achterste lichaamsflank van de tegenstandster, zodat men dan de vissen die de strijd uitvochten dagenlang kan herkennen aan de karakteristieke ronde bijtwonden.
Beide genoemde strijdmethoden vinden dich onder het wateroppervlak plaats (vaak 's nachts in het halfduister). Gevechten met fatale beschadiginen heb ik bij Labeotropheus wijfjes zelden meegemaakt (mannetjes, die niet kunnen uitwijken, gaan daartoe direct over). Is de rangorde uitgevochten, verloopt alles weer even rustig als voorheen, tenzij de “chef” Labeotropheus paardriftig is.

 

Aquariuminrichting

De verzorging van deze levendige, aantrekkelijke vissen is bij een juiste aquariuminrichting niet moeilijk. Dat wil zeggen, er moeten meer schuilplaatsen dan vissen aanwezig zijn. Een groep moet bestaan uit één man en minstens drie wijfjes. Twee is te weinig, want als men een drachtig wijfje vanwege de broedverzorging verwijdert uit de groep, concentreert de man zich dan op het overgebleven wijfje. En zij wordt dan  veelal overbelast en is voortdurend op de vlucht. Middelhard water met een neutrale tot licht alkalische pH waarde, zoals het meestal uit de waterleidingen komt, is voor de Mbuna cichlide het beste. Men hoeft niet volledig af te zien van beplanting? Bij mij heeft javavaren en Anubias nana zich geworteld op de steenformatie en groeit prima. Ze woelen absoluut niet in de bodem. 

 
RocketTheme Joomla Templates