FY004.jpg
Schelpenbewonende Lamprologus Afdrukken

 

Sommigen hebben ze graag afgezonderd

Het Tanganyikameer herbergt talrijke schelpbewonende cichlidensoorten. Dit betekent dat een vis in lege schelpen van waterslakken huist. De Tanganyikacichliden die schelpen van slakken gebruiken, kunnen door hun gedrag in 3 verschillende groepen ingedeeld worden : bewoners van alleen liggende schelpen, van schelpenbedden en de occasionele. In dit artikel bekijken we de eerste groep van deze schelpbewoners.

De Lamprologus soorten

Lamprologus ocellatus en verwanten”

De eerste schelpbewoner die in het begin van de jaren 80 in de handel verscheen, was Lamprologus ocellatus. Het is een kleine vis van 4 tot 5 cm lang, met een grote kop. Zij onpare vinnen zijn niet uitgerafeld en zijn buikvinnen zijn rond doordat de derde vinstraal lang is. Dit is karakteristiek voor het geslacht Lamprologus, vergeleken met het geslacht Neolamprologus, dat driehoekige buikvinnen heeft met een langere eerste vinstraal.

Men onderscheidt twee geografische rassen van Lamprologus ocellatus. Enerzijds is er het ras dat men in het noordelijke gedeelte van het meer langs de kusten van Burundi aantreft, anderzijds is er het zuidelijke ras dat vooral de kusten van Zambia en Tanzania tot aan Kigoma bewoont.
De Lamprologus ocellatus van het noorden, soms ten onrechte Neolamprologus wauthioni genoemd, is groter dan zijn zuidelijke neef. Ook is zijn grijsbruine basiskleur bleker. De geslachten zijn uiterlijk niet van elkaar te onderscheiden, hoewel de mannetjes duidelijk groter zijn dan de wijfjes.

Daarentegen zijn mannetje en wijfje van de Zambiaanse Lamprologus ocellatus heel verschillend. Het wijfje draagt een zeer opvallende witte bies aan de rand van de rugvin. De bies van het mannetje is minder opvallend en heeft een roze tint. Men zou  kunnen zeggen, zoals Philippe Burnel (adjunct-redacteur bij de Revue Française des Cichlidophiles), dat de Lamprologus ocellatus van Zambia met parelmoer bedekt is. Op de zijkanten lopen fijne blauwe strepen. De wangen zijn roze getint, de iris van het oog is oranje en de zwarte vlek op het kieuwdeksel wordt voorafgegaan door een stralend blauwe zone. Deze heel mooie kleine vis is één en al parelmoerglans.

Een klein percentage individuen van de populatie Lamprologus ocellatus van Zambia heeft een kleurmutatie ondergaan. Deze, in de natuur heel zeldzaam zijnde vissen, zijn goudgeel van kleur. Bij de ontdekking van de eerste exemplaren door René Kruter, heerste er gekheid alom. Alle Tanganyikafanaten wilden er een hebben.

Ik hoef U niet te vertellen hoe de prijzen de hoogte in schoten. Ga nu vooral niet denken dat deze Lamprologus ocellatus een nieuwe soort is. Het gaat hier om een zogenaamde recessieve (niet-dominante) mutatie. Zonder op de details van de erfelijkheidsleer in te gaan, kunnen we zeggen dat bij voortplanting van 2 goudgele Lamprologus ocellatus 25 % van het nageslacht parelmoerblauw is, zoals de normale familie. Als me een goudgele Lamprologus ocellatus met een parelmoerblauwe kruist, is maar een kwart van de nakomelingen goudgeel. De dag van vandaag is de kleur van de specimen door inteelt meer koperkleurig geworden. 

Om op onze 2 geografische rassen terug te keren, het noordelijke en het zuidelijke ras zijn toch wel heel verschillend van elkaar. Men kan er aan twijfelen of men niet tegenover twee volwaardige soorten zou kunnen staan, vooral omdat tijdens recente exploraties van de Congolese kust twee andere soorten werden ontdekt die zeer goed op de Lamprologus ocellatus lijken.

Het gaat om L. meleagris en L. speciosus. Deze 2 soorten hebben dezelfde vorm en gedrag als L. ocellatus, maar een verschillend kleed. L. meleagris heeft dezelfde parelmoerachtige blauwe tint, maar heeft daarbij nog kleine iriserende stippen over het gehele lichaam. De rugvin van L. speciosus is met kleine zwarte strepen versierd. De parelmoerkleur van het lichaam is iets donkerder.

Het territorium

De exemplaren van deze vier cichliden van het “L. ocellatus-complex” hebben een redelijk agressief gedrag tegenover elkaar. De mannetjes zijn weinig tolerant te opzichte van elkaar. Ze leven boven een zandige grond waar enkele alleenl iggende schelpen voorkomen. Het mannetje bakent zijn territorium af en laat enkele wijfjes toe die elk bezit nemen van een schelp. Door graafwerken doen deze kleine vissen de schelp zakken tot ze compleet onder het zand verdwijnt. Vanaf dan ziet men enkel nog een opening in de vorm van een kuiltje in het zandoppervlak. Het is daarom dat men er in het aquarium goed aan doet om ze te houden met een voldoende dikke laag fijn zand; genre Loirezand of kwarts met een korreldikte van 0,3 mm. Het aquarium hoeft niet zo heel groot te zijn. Een 100-tal l is ideaal voor een trio van dezelfde soort.

De voortplanting

Bij het minste gevaar duiken deze kleine vissen -de kop eerst- in hun schelp en gaan er heel diep in. Op die manier ontsnappen ze aan de meeste roofvissen die dicht bij de rotsachtige formaties wonen, zoals de vissen van het geslacht Lepidiolamprologus.

De voortplanting van deze kleine vissen is nogal bijzonder. Nadat ze eerst haar schelp begraven heeft en daarbij de opening de meest geschikte richting in functie van het omgevende decor oriënteerde, beantwoordt het wijfje de avances van het mannetje. Ze kronkelt haar lichaam in de vorm vane en ‘S’. Na verscheidene kronkelende flank-aan-flank parades, gaat het wijfje tot in het diepste van de schelp om er enkele eitjes af te zetten. Het mannetje  positioneert zich vervolgens dwars over de schelpopening om er zijn hom los te laten. Het wijfje, dat in de schelp blijft, zorgt er voor dat water naar binnen gezogen wordt. De hom van het mannetje gaat mee naar binnen en bevrucht de eitjes.
Dit tafereeltje herhaalt zich verscheidene keren tot het wijfje al haar eitjes gelegd heeft, gemiddeld 35 à 40 per broedsel. Eens zijn taak achter de rug is, verwijdert het mannetje zich om zich verder met zijn taak als polygaam gezinshoofd bezig te houden, anders gezegd; zijn territorium tegen indringers verdedigen.

Deze indringer is niet noodzakelijk een andere vis van dezelfde grootte. Men heeft reeds waargenomen, in een bak van 500 l, dat een koppel L. ocellatus het hoofd bood aan een groot Cyphotilapia frontosa- mannetje van 30 cm, door hem heftig aan te vallen, de één langs voor, de andere via knauwen in de flank. Ze zijn zo snel dat de loggere C. frontosa er niet in slaagde ze te vangen. Bij zoveel vastberadenheid is hij uiteindelijk afgedropen.
Een andere mogelijke indringer is de hand van de aquariumliefhebber die bv. een plant wil verpoten die te dicht bij het  territorium staat. De stoutmoedige, die zich niet verwacht aan die beten van de L. ocellatus, trekt zijn hand bruusk uit het aquarium terug en bespat daarbij de kamer met een goede liter water.

Het wijfje daarentegen, verlaat haar schelp enkel om te eten. Ze brengt de tijd door met het ventileren van de schelpopening door met de borstvinnen te slaan. Ze duikt ook naar binnen en ventileert op dezelfde manier de eitjes van dichtbij. Na ongeveer 3 dagen breken de eitjes uit. Ongeveer 4 dagen hebben de pasgeborenen nog nodig om hun dooierzak te verteren.

Het is dus pas op de 7e dag na de ei-aflegging dat de aquariumliefhebber het genoegen kan beleven van enkele onversaagde jongen van 3 à 4 mm lang aan de schelpopening te zien verschijnen. Hier is de tijd gekomen om ze met Artemianaupliën te voeden. Opdat de naupliën zich niet over het gehele aquarium zouden verspreiden, is het beter ze met behulp van een spuitje rechtstreeks in de schelp toe te dienen. Dit moet verscheidene keren per dag gebeuren. Dankzij deze 3 of zelfs 4 dagelijkse maaltijden groeien de jongen snel en verstouten zich na enkele dagen tot het verlaten van de schelp.
Na verloop van 2 weken, meten ze al 6 tot 7 mm en verspreiden ze zich over het zand in de nabijheid van de schelp. Na 2 maand zijn ze al 1,5 tot 2 cm lang. Dit is het moment om ze uit de bak te halen als men niet wil dat ze aangevallen worden door het mannetje dat zijn territorium en de broedplaats van het wijfje herschikt om opnieuw te broeden.

 

*Lamprologus ornatipinnis

Hij is heel verschillend van L. ocellatus en ook een beetje groter : 6 cm voor het mannetje, 4 cm voor het wijfje. Zijn lichaam is meer uitgerekt, zijn kop minder massief. Zijn bruinrode koperkleur is lichtjes opgedirkt. Het mannetje van het wijfje onderscheiden is niet gemakkelijk. Het wijfje is kleiner en heeft een blauwviolette metaalkleurig vlek die vooral tijdens de broedperiode heel duidelijk is. Lamprologus ornatipinnis gebruikt dezelfde graaftechniek als de L. ocellatus. De voortplanting verloopt identiek maar in tegenstelling tot L. ocellatus verspreiden de jongen zich veel vroeger over het zand in de nabijheid van de schelp.

 

*Lamprologus signatus

L. signatus werd voor het eerst op het einde van de jaren 80 ingevoerd onder de naam Lamprologus sp. “cyanocephalus”. Het is de laatst ingevoerde echte Lamprologus. Zijn voortplanting is heel bijzonder. We kunnen zelfs zeggen dat hij in het Tanganyikameer geen echte schelpbewoner is. We zullen zien waarom.

Laten we  hem eerst beschrijven. Het uitgerekte lichaam van het mannetje is ongeveer 5 cm lang. Zijn roodbruine kleur is onderbroken door een tiental duidelijke strepen. Het kleed van het wijfje is egaal bruinrood met een grote vlek, glanzend als parelmoer, op de flanken. Ze wordt niet langer dan 4 cm. Lamprologus signatus leeft langs de kusten van Zambia, in rotsachtige gebieden vol slib. Deze aan de oppervlakte slijkerige aanslibbingen vormen op de bodem een harde korst van verscheidene cm dik. Lamprologus signatus graaft een tunnel in deze slibkorst en gebruikt de op die manier ontstane holte als broedplaats. Men zou kunnen zeggen dat hij zich een schelp op maat maakt.

In een aquarium kan men deze sliblaag niet simuleren. Als lapmiddel begraaft men enkele slakkenhuisjes in een flinke laag fijn zand. Onze Lamprologus signatus is heel tevreden en brengt zijn kroost groot zoals Lamprologus ornatipinnis, met wie hij trouwens het meest verwant is.

Om alle risico op kruisingen te vermijden, is het af te raden om Lamprologus signatus en Lamprologus ornatipinnis in hetzelfde aquarium te houden. Hetzelfde geldt voor de soorten die aan Lamprologus ocellatus verwant zijn.

 

 

 
RocketTheme Joomla Templates