vosjes.jpg
Geophagus pelligrini Afdrukken

 Ja, het schrijven over mijn favoriete vissen blijkt geen einde te kennen. ‘k Zal nog eens veranderen in een Zuid-Amerikaan, denk ik. Wederom zal het een pittig verslag worden over een prachtig juweeltje uit dat vis- en waterrijke continent; een bijna (in de handel) nooit geziene vissoort: de Geophagus pelligrini. Een artikeltje om van te watertanden, zeker als je weet dat dit dier letterlijk de kleurrijkste in mijn biotoopaquarium is!

Deze Geophagusvariant werd raar genoeg voor het eerst beschreven door Regan (en niet door Pelligrin!) in 1912. En heeft na verloop van tijd een niet al te mooie “bijnaam” gekregen: de “Choco Geophagus” of ook wel eens “Choco aardvreter”. Precies of we hier met een of ander varken te maken hebben! Deze naam heeft hij vooral te danken aan de rivier Chocò in West-Columbia, waar hij uiteraard het meest voorkomt. Verder heeft dit dier zijn thuis ook gevonden in de Rio Atrato, de Rio San Juán en nog enkele kleine riviertjes die uitmonden in de Stille Oceaan.

De Geophagus pelligrini is een zeldzaam, prachtig en uniek hebbeding en als ze dan eens voorkomen in de handel, dan zit je veelal met een andere, veelvuldig voorkomende soort opgeschept. Toen ik een foto van het beestje zag, in ons aller gekende “Aqualog”, was ik meteen verliefd op het “Choco Aardvretertje”. Maar om deze soort gemakkelijk te vinden, dat was een ander paar mouwen! En wie zoekt…komt vaak bij onze “Amerika-specialist” Dirk Van Damme terecht. Zo wist hij, dat er in “Aquaven” te Limburg nog enkele jonge exemplaren vertoefden. Onmiddellijk en zonder twijfel had ik gevraagd om er een 4-tal mee te brengen, zoals gewoonlijk moest ik terug diep in mijn portefeuille tasten. Ge moet er iets voor over hebben, nietwaar?!

Het waren vrij kleurloze beestjes, wat grauwig en grijzig; een lelijk eendje… Helaas is er eentje gestorven, vermoedelijk had dit te maken met een verandering in de watersamenstelling tijdens een verversing. De drie anderen groeiden traag maar zeker. Dit is een algemeen kenmerk bij Geophagus. Al gauw werd het duidelijk wie een mannetje ging worden en welke tot vrouwelijke exemplaren zouden uitgroeien. Want het “ventje” is bedeeld met een uitzonderlijk prachtig kleurenboeket (veel mooier nog dan we in de Aqualogboeken te zien krijgen). Zijn lichaam heeft een gele basiskleur met een 3-tal zwarte dwarsbanden erop, die duidelijk doorlopen tot in de rugvin, die op haar beurt fel rood is, verfraaid met hemelsblauwe vlekken.

De staartvin is oranjerood en iets doorzichtig, de anusvin is dan weer rood met wat blauw. De buikvinnen, welke langer zijn dan bij het wijfje, zijn roodomrand gevlamd. De zij- of zwemvinnen (borstvinnen) zijn zo goed als kleurloos. De kop is terug fel oranje en naar de naar beneden wijzende muil toe, rood. De bovenste grote lip van zijn bek heeft een opvallende metaalgroene kleur en wordt gebruikt als baltsorgaan. Hier en daar zijn er op het lichaam prachtige metaalblauwe vlekjes waar te nemen, welke het geheel kompleet maken! Een onbeschrijflijk mooie vis, ongeacht welke lichtinval ook!!!

De beste verhouding man/vrouw is 1 op 2 á 3. Zijn halve trouwboek heeft niet zo’n mooie kleurenpracht en blijft licht gelig en grijs. Het enige wat opvalt, is het rode randje aan de rugvinnen en de zwarte dwarsbanden.
Net als bij de meeste Geophagusvarianten is ook de G. pelligrini een muilbroeder met de perfectie van Malawi en Tanganyika cichliden! Het mannelijk exemplaar verleidt zijn geliefde door te gaan “klepperen” met zijn lippen. Indien ze kuitrijp is, wordt ze als het ware gehypnotiseerd door dit gedoe.
Het bruidspaartje kiest dan een vlakke steen uit die ze dan eventjes poetsen. Dit kan toch enkele “stenen” gaan duren! Het vrouwtje legt haar eieren stuk voor stuk af, neemt ze ei per ei terug in de muil terwijl ze dan naar de hom van haar partner hapt. Ondertussen “kleppert” hij er maar op los, tot hij er bijna bij neervalt. Tijdens deze gebeurtenis maken ze een draaiende liefdesdans. Eenmaal alles achter de rug is, gaat papa Geophagus al op zoek naar een andere partner terwijl mams de broedzorg voor haar rekening neemt.

Na een tweetal weken komen de jongen voor het eerst uit de muil, er kunnen er wel zo’n 50 zijn! Eenmaal ze hun beschermende nest hebben verlaten, keren ze zelden terug. “Moeder pelligrini” verandert dan haar gedrag en gaat fel uithalen naar de andere bewoners van het aquarium die te dichtbij komen. Zelfs de partner krijgt af en toe rake klappen. De jonge Geophagusjes kan je best Artemianaupliën geven. Opgepast, deze Geophagusvariant kan toch uitgroeien tot een slordige 18 à 20 cm! Dus geen al te klein aquarium.

In zijn natuurlijke biotoop zijn de lichtstromende riviertjes bezaaid met stenen, kienhout en plantenresten zoals bladeren met hier en daar wat zandvlakten. Het aquarium kan men zo gaan inrichten, zonder de bladeren natuurlijk. Schuilplaatsen zijn er ook nodig, zo kan moeder Geophagus haar jongen uitlaten op een veilig plekje. Deze prachtige en rustige vissoort kan je bij alles wat zwemt gaan plaatsen als ze maar niet te agressief zijn en hem niet stresseren! Maar zeker geen concurrerende mannetjes erbij plaatsen want dit zou kunnen ontaarden in hevige gevechten! Ook de G. steindachneri laat men hier best achterwege want ofwel zit de kans erin dat er hybriden ontstaan, -wat we ten alle kosten moeten vermijden-, ofwel eindigt men terug in een felle strijd! Voor de rest zijn er geen problemen.

 Zo dit was het dan wat deze mooie G. pelligrini betreft en ik moet toch zeggen, ik heb al vele “parels” in mijn aquarium rondzwemmen, maar deze vis is een echte “diamant”!

 
RocketTheme Joomla Templates