Pseudomugil.jpg
Neolebias ansorgii – breedbandzalmkarper Afdrukken

Siervis Leuven

Toen ik in 1954 met een aquarium begon was er een ruim aanbod aan ei-levendbarenden, maar voor de rest viel er niet veel meer te rapen. De goedkoopste vissen, en dus voor mij de interessantste, kwamen toevallig allemaal uit Azië. Het gamma bestond uit een paar soorten Barbussen en Barbelen, enkele Trichogasters en de alomtegenwoordige Paradijsvis. De duurdere soorten kwamen uit Zuid-Amerika en waren dan ook aan mij niet besteed. Enkel de beter gegoede burger kon zich in die tijd enkele Pterophyllum scalares of een klein zwermpje Neons veroorloven.

Het eerste betaalbare Afrikaantje dat in mijn bakje belandde was de Neolebias ansorgii. Hij zat er in de winkel wat mistroostig en kleurloos bij, maar hij kostte maar een prikje en dus nam ik er vier mee naar huis.

De eerste dagen lieten ze zich niet meer zien, wat vaak een onheilspellend voorteken was. Dagen speurde ik, met mijn neus tegen de voorruit gedrukt, naar mijn nieuwe aanwinsten. Ik scheen tevergeefs met mijn sterkste pillamp tussen de schamele plantengroei, maar kon niets bespeuren dat ook maar in de verste verte op de Afrikaantjes geleek. Ik was toen jong en onstuimig en kon me niet inleven in het traumatische bestaan van een recent gevangen, verpakte en verscheepte Neolebias. Na enkele dagen bekoelde mijn interesse voor deze, in mijn ogen, ondankbare creaturen en keek ik al uit naar andere vissen met ronkende, geheimzinnige namen. Wie schetst mijn verbazing toen ik na een week of twee iets aan de voet van een veldje Vallisneria zag bewegen dat warempel op een Neolebias ansorgii leek. Bij nader toekijken zag het beestje er zelfs goed uit en ineens kreeg ik ook zijn metgezellen in het oog, die aarzelend vanuit de planten naar een wat meer open plekje laveerden.

Wat ik toen niet wist, was dat Boulenger hen reeds in 1912 had beschreven. In Duitsland werden ze trouwens reeds in 1934 ingevoerd. Bij ons duurde het, bij mijn weten, nog twintig jaar eer ze ten tonele verschenen.

De Neolebias ansorgii heeft een spoelvormig, zijdelings licht samengedrukt lichaam. De rug is bruinzwart, de buik goudgeel. Het mannetje heeft in de paartijd een blauwgroene flonkerende lengtestreep, die zo een vier rijen schubben breed is en loopt van aan zijn muil tot aan zijn staart. Daar mondt ze uit in een dwarsliggende zwarte vlek. De schubben van de rug zijn tot halverwege de flank keurig met een zwart boordje afgebiesd, wat zijn trouwpak nog een stuk opfleurt. De vinnetjes zijn, naargelang van de vindplaats, rozerood tot bloedrood. De vrouwtjes zijn uiteraard niet zo mooi gekleurd. De lengtestreep is minder uitgesproken, is smaller en mist vooral dat spetterende. Haar vinnetjes zijn flauw roze tot gewoon doorzichtig. Ze heeft ter compensatie dan wel een gevulder buikprofiel dan het mannetje, maar daar is ze vet mee hoor ik u al zeggen.

Deze breedbandzalmkarper wordt 3,5 tot 4 cm groot en komt voor in een uitgestrekt gebied dat loopt van de kust van Benin naar zuid Nigeria en zo over de zuidkust van Kameroen naar Gabon en naar de monding van de Congostroom doorloopt. Hij leeft er vooral in door planten overwoekerde, stilstaande waterpartijen.

Je kan niet zeggen dat dit visje frequent aangeboden wordt, maar als je hem ergens tegenkomt raad ik je aan om er een tiental mee te nemen. Hij gedijt zeer goed in middelhard water, met een neutrale pH en bij een temperatuur van 21 tot 23°C.

Voor de kweek gebruik je liefst een klein bakje zonder bodemgrond voor één kweekkoppel of een ruimer ingericht bakje waarin je verschillende koppeltjes samenbrengt. De watertemperatuur mag niet boven de 23°C komen. Een hogere temperatuur schijnt zelfs nefaste invloed uit te oefenen op de nakweek. De visjes deponeren hun eitjes vrij tussen fijn bladerige planten. Bij elke paring werden er zo een 6 tot 10 eitjes afgezet. Vermits ze niet roofzuchtig zijn, kan je de kweekstellen gerust in het bakje laten. Een nestje van 100 tot 150 eitjes is niet uitzonderlijk. De jongen komen na 30 tot 40 uur uit en zijn zeer klein. Ze zwemmen na 5 dagen vrij rond en je zal ook zien dat de jonge visjes zich meestal in de omgeving van de bodem ophouden. Ze moeten letterlijk tussen klein levend voer staan, omdat ze er zelf niet op jagen. Met fijn levend voer bedoel ik dan infuus, pantoffeldiertjes en raderdiertjes en later kleine naupliën. Je kan in feite nog het gemakkelijkst de groei van infuus in de kweekbak zelf stimuleren. De eerste dagen zijn het moeilijkst om door te komen en een goede voeding is de enige garantie op mooi uitgroeiende visjes. Als je een vijftigtal jongen kan groottrekken, mag je van een geslaagde kweek spreken. De jongen zijn op hun beurt na 6 tot 8 maanden geslachtsrijp.

Van de Neolebias ansorgii wordt beweerd dat het een alleseter is, maar toch gaat zijn voorliefde uit naar levend voer zoals muggenlarven, watervlooien en Tubifex. Zijn mooiste kleuren zal hij je tonen in een aquarium zonder veel waterbeweging, met een niet te hoge waterstand, een donkere bodem en diffuus licht. Voorzie bosjes planten waarin hij zich kan verstoppen en zorg ook voor enkele wortelstronken, die je tussen groepjes fijn bladerige planten inpast en die je laat begroeien met Anubias nana of Javamos. Je zal hem vooral bedachtzaam zien floreren in de onderste waterlagen maar zijn kleurenpracht zal je met verstomming slaan. Als je hem in het gezelschap houdt van kleine, rustige visjes zal je er jarenlang plezier aan beleven.

 
RocketTheme Joomla Templates