Panaque_nigrolineatus.jpg
Pantodon buchholzi – Vlindervis Afdrukken

Siervis Leuven

De vlindervis is altijd al één van mijn lievelingen geweest. Hij is immers zo komisch gebouwd, dat je hem met geen enkele andere vis kan verwarren. Zijn gedrongen, boot-vormig lichaam heeft een grondlaag van zilverbruin en is bezet met onregelmatige bruine vlekken en strepen. De rug is rechtlijnig en groenglanzend. De buik is iriserend geelbruin. De schubben zijn groot met een donkere omranding. De bovenstandige muil, die op een valluik lijkt, laat veronderstellen dat we te maken hebben met een geduchte rover.

Wat bijzonder opvalt zijn de grote vleugelachtige, krachtig ontwikkelde borstvinnen die hem in staat stellen geweldig te springen. De buikvinnen zijn sterk gereduceerd en de grote vinstralen doen denken aan zeer lange vingers aan een hand. Zij fungeren als een zeer beweeglijk tastorgaan en zijn meestal waaiervormig uitgespreid. Deze vinstralen vertonen een afwisselend licht en donker ringpatroon.

De Pantodon buchholzi werd in 1873 ontdekt door de Duitse onderzoeker Buchholz in oerwoudkreken in Kameroen. Hij komt inderdaad voor in tropisch West-Afrika. Zijn verspreidingsgebied strekt zich uit van de Niger tot de Congostroom, waar hij in stilstaande, dichtbegroeide wateren van zijrivieren en rivierarmen gevonden wordt. Gevangen volwassen exemplaren hebben een lengte van 15 cm. In het aquarium blijven ze meestal iets kleiner en worden ze zo een 12 cm groot.

Het geslachtsonderscheid is bij volwassen exemplaren gemakkelijk te zien: bij de mannetjes is de achterrand van de aarsvin diep ingesneden en de middelste stralen vormen een soort buis. Vroeger dacht men dan ook dat de wijfjes, net als bij de guppen, inwendig werden bevrucht. Bij de wijfjes is de rand van de aarsvin rechtlijnig.

De vlindervis is alleen geschikt voor grotere aquaria, waar hij meestal net onder het wateroppervlak en onder de beschutting van drijfplanten op de loer ligt naar aanvliegende of in het water gesukkelde insecten. De vlindervis is dan ook niet geschikt voor het gezelschapsaquarium omdat enerzijds Barbussen en zalmen steeds aan zijn vinnen liggen te bijten en anderzijds omdat de vlindervis met zijn enorme schuurdeur gemakkelijk kleinere vissen kan verslinden. Om aan zijn belagers te ontkomen springt hij ofwel uit het aquarium ofwel stoot hij hierbij zijn kop zodanig tegen de dekruit dat hij er ernstige hoofdwonden aan overhoudt, die hem trouwens vaak fataal zijn.

Daarom verdient het aanbeveling om de Pantodon buchholzi in een aparte hoge bak te houden, die ingericht is als een oeverlandschap. Zorg er wel voor dat het wateroppervlak 15 tot 30 cm verwijderd is van het droge gedeelte. Indien deze afstand te klein is springen de vissen bij het geringste vermeend gevaar uit het water, belanden op het landgedeelte en geraken niet tijdig terug in hun natte element. Het waterpeil moet minstens 20 tot 30 cm bedragen.

Een vlindervis heeft het ook graag warm. Onder de 28°C voelt hij zich niet goed in zijn vel en ook hard water ligt hem niet zo goed. Halfhard water met een hardheid van 8 tot 10 DHg en een PH van 6,5 stellen ze op prijs. Ten einde het water kristalhelder te houden is een goede filtering noodzaak.

We hebben al gezien dat de Pantodon een enorme mondopening heeft. Het zal u dan ook niet verwonderen dat hij allerlei aanvliegende insecten zoals vliegen, vlinders, motten en sprinkhanen van het wateroppervlak weg snapt. Ook krekels, spinnen en mieren die in het water sukkelen worden niet ontzien. Insectenlarven van de Culex (steekmug) worden in grote getale door de vlindervis opgeruimd. 's Winters moet men dus zorgen dat men levende insecten kan voeren. Vliegen en fruitvliegen kan men gemakkelijk zelf kweken, krekels kan men het ganse jaar door kopen in een terrariumzaak. Om de vliegen panklaar te maken steekt men ze gedurende 10 minuten in de koelkast; dan zijn ze zo tam dat zelfs de meest luie onder de vlindervissen ze nog op zijn dooie gemak kan vangen.

De vlindervis is meestal actief tegen de avond. Dan begint hij het ganse wateroppervlak af te schuimen naar iets eetbaars. Eens ingeburgerd leert hij algauw wanneer er gevoederd wordt en is hij present. Als echte oppervlaktevis heeft hij natuurlijk een serieuze hekel aan andere oppervlaktevissen zoals Epiplatys of Pachypanchax. Die worden onverbiddelijk uitgeroeid omdat ze voor hem geduchte voedselconcurrenten zijn in de bovenste waterlaag.

Wanneer we ze afwisselend voer geven zetten de vrouwtjes al snel kuit aan en worden ze mooi rond. De mannen worden actiever en je weet hoe dat gaat: ze beginnen schijngevechten te leveren en duchtig achter de vrouwen aan te zitten Ze gaan zo geweldig tekeer dat de vrouwtjes wegvluchten en zich verschuilen tot de storm voorbij is.

In zijn boek "Problemfische I" uit de reeks Das Vivarium beschrijft Willy Jocher de kweek met deze vissen.

Je neemt het krachtigste mannetje en het dikste wijfje en zet die apart in een bak. In een hoek zetten we een leiplaat die tot aan de oppervlakte reikt. Dit is een goede uitwijkplaats voor het achternagezeten vrouwtje. Omdat vlinders zich niet goed voelen in een kale bak laten we een groot stuk kurk, dat we eerst grondig hebben afgespoeld met heet water, op het wateroppervlak drijven. Het mannetje is content met dit schutdak en blijft er de ganse dag onder zitten. Een kleine binnenfilter houdt de zaak proper en zorgt voor kristalhelder water. Het kweekwater heeft een hardheid van 2 DHg en een PH van 6 en een temperatuur van 30°C. Iedere dag wordt er gevoederd. Het vuil dat zich op de bodem vormt wordt dagelijks met een fijn luchtslangetje weg geheveld om te verhinderen dat er zich infuus zou gaan vormen. Om de vissen 's avonds te bekijken hangen we een gloeilamp van 25 Watt een meter achter het aquarium. De lamp kleuren we met een rode viltstift uiteraard rood. Deze kleur wordt immers noch door vissen noch door andere dieren onderscheiden. Het verhaaltje van de rode doek en de stier is hier bij deze verwezen naar het land van de fabeltjes.

Overdag wordt de kweekbak verduisterd met papier. Tot vijf dagen na het overzetten gebeurde er bij de Willy niets. Maar op de zesde dag zwom het mannetje op het vrouwtje toe en drukte zijn buikpartij tegen die van het vrouwtje. In die positie verstarren de dieren zo drie tot zeven seconden en bij het uiteenzwemmen zet het vrouwtje haar eitjes af. De eitjes van de Pantodon buchholzi blijven door een oliebelletje aan het wateroppervlak drijven. Het legsel scheppen we met een pollepel uit de bak en brengen het over in kweekschalen. Beschimmelde eitjes kunnen best met een pipet verwijderd worden. Na ongeveer drie dagen komen de jonge visjes bij een temperatuur van 30°C uit. Om te verhinderen dat ze bij mekaar gaan klitten aan de oppervlakte leggen we enkele drijfbladeren (bvb Cryptocorynebladeren) in de schalen die voor de jonge visjes een ideaal leefmilieu scheppen. Wanneer de dooierzak opgeteerd is geven we als eerste voedsel pantoffeldiertjes. De jongen groeien goed en na twee weken gaan we over op pas uitgekomen Artemanaupliën. Als de jongen 2 cm groot zijn kunnen we fruitvliegjes toedienen. Die zijn zeer voedzaam en bevorderen de groei. Later geven we kleine krekeltjes en nog later huisvliegen. Een regelmatig verversen door water van dezelfde kwaliteit is een must.

Nog één goede raad : zorg ervoor dat je over voldoende levend voer beschikt eer je de vissen aanschaft of eer je er wil mee kweken. Met één of ander surrogaatvoedsel kom je bij deze kereltjes niet terecht.

 
RocketTheme Joomla Templates