Caridina01.jpg
Betta’s ….Schuimnestbouwers Afdrukken

Siervis Leuven

 

Eén soort van de schuimnestbouwende Betta's is bij de liefhebber sedert meer dan een eeuw gekend.
De eerste exemplaren van de Betta splendens werden al in 1874 in Europa ingevoerd. In datzelfde jaar kon de Franse kweker P. Carbonnier al gewag maken van een kweek, maar het duurde tot 1892 vooraleer Jeunet, een andere Franse kweker, ook daadwerkelijk het jongbroed kon groottrekken.

Schuimnestbouwende Betta's komen over heel zuid-oost Azië voor. Hun verspreidingsgebied strekt zich uit over Thailand, Maleisië, Malakka en Vietnam. Ze leven er vooral in stilstaande wateren, in kanalen en rijstvelden. De watertemperatuur is hier hoog en bereikt gemakkelijk 30°C. Bij deze vissen vervult het labyrint een belangrijke rol bij het ademhalen. De kieuwen spelen hierbij slechts een secundaire rol. Door hun speciale manier van ademhalen kunnen ze ook overleven in water dat zeer arm is aan zuurstof.

Als we een aquarium voor deze visjes willen inrichten, zullen we trachten hun natuurlijk biotoop zo goed mogelijk na te bootsen. We hebben geen erg groot aquarium nodig, want deze Betta's zijn geen verwoede zwemmers. Meestal betrekken zij de bovenste waterlagen, waar ze zich ophouden onder de beschutting van drijfbladeren van waterplanten of tussen de wortels van drijfplanten. Je moet er wel voor zorgen dat er aan het wateroppervlak enkele plekken open blijven, waar de visjes ongehinderd lucht kunnen happen.

Deze schuimnestbouwers zijn zeer warmtebehoeftig. De temperatuur mag zeker niet onder 26°C komen. Beter nog is ze te houden op 28°C. Ze zijn allergisch voor temperatuurschommelingen, waarop ze prompt reageren met een aandoening van witte stip of schimmel. Zoals we reeds eerder gezien hebben, is ook de temperatuur van de lucht boven het water van essentieel belang. Deze lucht moet even warm zijn als het water zelf. Het water kan je filteren, als je er maar voor zorgt dat de uitlaat van de filter geen sterke waterturbulentie veroorzaakt.

Als typevoorbeeld van de schuimnestbouwers neem ik natuurlijk de Betta splendens. Hij heeft er door zijn fabelachtige schoonheid en zijn interessant kweekgedrag voor gezorgd, dat zijn geslacht voor altijd haar plaats in de aquaristiek zal blijven behouden.

Alhoewel het een prachtige vis is, kent de liefhebber hem nog nauwelijks in zijn oorspronkelijke vorm. De sluierbetta heeft hem immers totaal overklast en hem, mijns inziens ten onrechte, uit onze aquaria doen verdwijnen.

De Betta splendens heeft een ruim verspreidingsgebied dat zich uitstrekt over Thailand, Cambodja en Laos. Het mannetje wordt 6 cm groot, heeft een langgerekt, zijdelings matig samengedrukt lichaam, waarvan de snuit een weinig spits toeloopt en eindigt in een grote, opwaarts gerichte mondopening. Zijn rugvin is ver naar achteren geplaatst en is in de middelste stralen tamelijk lang. De staartvin is matig groot en afgerond. De aarsvin is groot en toegespitst. Ze strekt zich uit van de staartbasis tot vlak achter de borstvinnen. De buikvinnen zijn keelstandig en lang uitgegroeid. De kleurloze borstvinnen zijn normaal ontwikkeld en afgerond. De stralen van de andere vinnen zijn donkerbruin tot zwart. De huid die de vinstralen verbindt, is bij de rugvin groenachtig, bij de andere vinnen groen, rood of blauw. De grondkleur van het visje is bruin. De kieuwdeksels en de rug worden dan weer doorspat met blauwgroene vlekjes. Het wijfje is iets kleiner, heeft kleine vinnen en heeft een vale kleur. Nog voor ze volwassen zijn, kan je bij de wijfjes reeds een klein wit legbuisje zien. In een gezelschapsbak kan je best meerdere vrouwtjes houden met één mannetje. Zo kan mijnheer zijn attenties onder de verschillende dames verdelen. Inzake watersamenstelling zijn ze totaal niet kieskeurig. Bij een pH van 7 en een hardheid van 6 tot 8 dGH voelen ze zich het best in hun vel. Ze eten zowel levend- als droogvoer.

Als je een kweekje wil wagen, logeer je het koppeltje in een ruim kweekbakje, want als de kweek lukt, moet het onderdak kunnen bieden aan een honderdtal visjes. Gebruik een bakje dat niet hoger is dan 15 of 20 cm en voer de temperatuur op tot 30°C. Breng aardig wat drijfplanten aan, die het mannetje dankbaar zal benutten om er zijn schuimnest in te bouwen. Zij bieden tevens aan het vrouwtje de mogelijkheid om, als het liefdesspel te hoog oplaait, zich eventjes terug te trekken om op adem te komen. Een kuitrijp wijfje kan je herkennen aan drie dingen: aan een dik buikje dat gespannen staat van het kuit, aan een nettekening die zich duidelijk op haar lichaam aftekent en aan de witte legbuis, die goed zichtbaar is. De Betta splendens man maakt een klein, maar tamelijk hoog schuimnest en begint, eens dit karweitje geklaard, het wijfje hevig het hof te maken. Als hij te geweldig wordt zoekt zij, om hem een beetje te laten bekoelen, een goed heenkomen tussen de planten. Eens ze tot paren bereid is, gaat ze onder het schuimnest plaatsvatten en laat ze zich door het mannetje omstrengelen. Hierbij kantelt ze op haar rug, zodat haar legbuis naar het schuimnest wijst. Ze stoot haar eitjes uit, die door het mannetje onmiddellijk worden bevrucht. De eitjes zijn zwaarder dan water en zakken hierdoor naar de bodem. Ze worden soms door beide ouders, vaak ook door het mannetje alleen opgeraapt en in het schuimnest gespuwd. Als de paringen afgelopen zijn moet het wijfje zo vlug mogelijk uit de kweekbak worden gehaald, want dan heeft ze het op de eitjes voorzien. Doe je dit niet dan zal het mannetje, die haar intenties doorgrondt, haar zodanig toetakelen dat ze wellicht voor de rest van haar dagen arbeidsongeschikt zal zijn. Na 30 à 40 uren komen de eerste jongen uit. Gedurende de eerste dagen zal het mannetje het nest bewaken en zal hij de jongen die "uit het nest vallen" er netjes terug inspuwen. Als er te veel nestverlaters komen, weet hij niet meer waar zijn hoofd staat en is het moment gekomen, om ook hem uit de kweekbak te verwijderen.

De jongen worden aanvankelijk gevoederd met infuus en fijn stofvoer. Na enkele dagen schakel je over op Artemianaupliën. Een gedeeltelijke, maar regelmatige waterverversing, draagt bij tot een forse groei. Als je de samen opgegroeide mannetjes bij mekaar laat zitten, zullen ze onderling geen agressief gedrag vertonen. Eens je ze echter gescheiden hebt, kan je ze nooit meer bij mekaar zetten.

Buiten de Betta splendens zijn er bij deze schuimnestbouwers nog enkele mooie soorten. De Betta imbellis, ook de vreedzame of kleine kempvis genoemd, is zo een kleurrijke figuur. Van deze soort kan je, in een groot en ruim beplant aquarium, meerdere mannetjes samen houden. Ze zullen mekaar wel constant imponeren, maar omdat ze genoeg uitwijkmogelijkheden hebben, vallen er hierbij geen dodelijke slachtoffers. Ook de Betta smaragdina uit Thailand is een mooie verschijning, maar die is dan weer wel agressief tegen soortgenoten. De Betta coccina, de rode kempvis, en de Betta bellica, de gestreepte kempvis, zal je wellicht nooit tegenkomen. De eerste is moeilijk te houden en de tweede is veel minder kleurrijk dan de eerder genoemde soorten. De laatste in de rij is de Betta fasciata of gebande kempvis. Hij is met zijn 10 cm de grootste van het geslacht. Zoals zijn naam al laat vermoeden heeft hij enkele donkere dwarsbanden op de flanken, die niet altijd waar te nemen vallen.

Nu heb ik nog altijd niets positiefs gezegd over de gesluierde Betta. Al de tot nog toe ingevoerde exemplaren van dit kweekprodukt, zijn afkomstig uit Singapore. De eerste specimens werden reeds in 1926 in Europa ingevoerd. Uit principe heb ik iets tegen kweekvormen in het algemeen en tegen sluiervormen in het bijzonder. Vaak zijn deze kweekprodukten trouwens ronduit lelijk. Nu moet ik eerlijk toegeven dat de gesluierde Betta hierop een uitzondering vormt. De negatieve kant van zijn mooie, lange vinnen is dat je hem met bijna geen enkele andere vis kunt samenhouden. Die pikken maar al te graag, bij wijze van voedingssupplement, een stukje uit zijn vinnen mee. Dan doet die sluierbetta, met zijn aan flarden gereten vinnen, toch enigzins sjofel aan, vind ik. De drang om door doorgedreven selectie steeds maar nieuwe vormen en andere kleuren te bekomen is, naar mijn mening, waanzin. Laatst zag ik in een tijdschrift nog een foto van een spierwitte discus, die poseerde tussen exemplaren, die inzake kleurtekening varieerden van clownesk tot, in mijn ogen, aartslelijk. Mooier en beter dan de natuur kan een mens het, volgens mij, niet maken.

Ik vind het spijtig dat de kortvinnige vorm van de Betta splendens, mede omdat hij slechts af en toe in de handel wordt aangeboden, zijn weg tot bij de liefhebber niet ten volle heeft gevonden. Mij spreekt hij door zijn ontwapenende eenvoud en door zijn prachtig coloriet wel aan. Hetzelfde geldt trouwens voor de Betta imbellis. Als je twee mannetjes van deze soort, getooid met hun mooiste kleuren, op mekaar ziet afstormen, ben je sprakeloos en kan je niet anders doen, dan met volle teugen van dit kleurenfestijn te genieten. Ik durf er mijn kop op verwedden dat, moest dit visje regelmatig in de handel aangeboden worden, het binnen de kortste keren de sluiervorm van de Betta splendens naar de kroon zou steken.

 
RocketTheme Joomla Templates