vieja_synspilum.jpg
Puntius tetrazona – het sumatraantje Afdrukken

Siervis Leuven

Zoals een Belg normaal uit België komt, zo zou je kunnen veronderstellen dat een Sumatraan uit Sumatra stamt. Als je zo doorredeneert zou een vrouwtje van ginder een Suma-trees zijn. Je zou volledig juist zitten, moest het hier om de mensen uit dat verre land gaan. Maar vermits wij het hier over een visje hebben, ligt het net iets ingewikkelder.

De Puntius tetrazona, bijgenaamd de Sumatraan, werd reeds in 1935 ingevoerd en komt behalve uit Sumatra ook uit Thailand, Malakka en Borneo. Hij wordt vooral gevonden in ondiepe sloten, kanalen, beken en moerassen. Daar houdt hij zich meestal op onder overhangende oevergewassen of in dichte waterplantenvegetatie. De bodem van zijn biotoop bestaat dan ook begrijpelijk uit een dikke laag humus. Snelstromend water mijdt hij als de pest.

Diegenen onder u, die vorig jaar meegereisd zijn naar Keulen, hebben er in het aquariumgedeelte van de plaatselijke zoo dit visje in al zijn pracht kunnen bewonderen. Voor diegenen die er niet bij waren zullen wij, met al onze beperkingen, proberen te beschrijven hoe het er uitziet.

De grondkleur is roze tot geelkoperkleurig. De rug is donkerder en metaalkleuriger dan de meer witzilverachtige buik. Rond het lichaam lopen vier verticale groenzwarte banden. De eerste loopt verticaal vanaf de rug door het oog. De tweede begint breed net iets voor de rugvin en versmalt naar de rode borstvinnen toe. De derde en de grootste vertrekt in feite vanuit de voorzijde van de rugvin en deint over het lichaam uit tot aan de aarsvin. De laatste band en tevens de kleinste situeert zich in de staartwortel. De rugvin is aan de achterzijde met een rode boord afgebiesd. De staartvin is doorschijnend rood. De schubben van het visje zijn met een fijn bruin biesje afgeboord en doen zo op de flanken een netachtige tekening ontstaan.

Het geslachtsonderscheid is pas goed te merken bij volwassen exemplaren. Dan zie je duidelijk dat de kuitrijpe vrouwtjes hoger van vorm zijn en iets robuuster voor de dag komen.

De Puntius tetrazona wordt wel eens afgeschilderd als een moeilijke vis. Wie dat beweert heeft enkele basisprincipes, die essentieel zijn voor het optimaal houden van dit prachtige visje, over het hoofd gezien. We hebben al gezegd dat hij in zijn natuurlijk biotoop te vinden is onder overhangende oeverbeplanting of in dichte waterplantenvegetaties en dat hij leeft boven een donkere humusbodem. Dit indachtig zorgen we, bij het inrichten van het aquarium, voor een dichte achter- en zijbeplanting en schermen we, door gebruik te maken van drijfplanten, te fel licht af. We zorgen uiteraard ook voor een donkere bodem. In een dergelijke bak zal een schooltje van een stuk of tien Sumatranen een streling zijn voor het oog. De temperatuur houden we tussen 23 en 26 ° C. Het water moet klaar en zuurstofrijk zijn. De Puntius tetrazona zal je vooral zien floreren in de middelste waterlagen.

Bij de beruchte "Sumatranenziekte", die dit visje kan aantasten, gaat het diertje op zijn kop staan en raast in die houding als een dolleman door de bak. Plotseling sterft hij zonder dat er aan de kleur ook maar iets verandert. Deze ziekte, die haast nooit optreedt in een goed functionerend aquarium, maakt zeker geen kans als je de visjes afwisselend voer voorschotelt en er ook levende of diepgevroren watervlooien op hun menu staan.

Wat ook zeer belangrijk is voor dit visje is dat het zijn leven lang slootinfusie nodig heeft.

Ik hoor je al zeggen "waar haal ik dat in 's hemelsnaam vandaan"? De oplossing is nochtans eenvoudig. In zijn boek "Exotische Vissen" raadt A. Van den Nieuwenhuizen aan om hen af en toe beschuitkruimels, met wat levertraan erop, te voederen en hen zo een volwaardig surrogaat voor slootinfuus aan te bieden. Als je per sé echt slootinfuus wil vangen, kan je hier met de polyvalente afgedankte nylonkous van moeder de vrouw niets aanvangen en dien je te beschikken over een héél fijn netje, met per cm2 2600 of zelfs 5184 mazen.

Moest deze vis ook geen negatief trekje hebben, zou hij de perfectie zelve zijn. Maar ook hij heeft zo zijn ticje. Hij maakt andere, rustigere vissen het leven wel eens zuur. Zo durft hij al eens een voelspriet van een Trichogaster of van een Pterophyllum scalare een stukje inkorten, of de mooie sluierstaart van een guppy wat bijwerken. Volgens sommige bronnen zou dit gedrag het gevolg kunnen zijn van een gebrek aan dierlijk voedsel. Als je Sumatranen wil houden, laat je misschien veiligheidshalve die "franjevissen" toch beter aan de kant en hou je ze samen met andere bedreven zwemmers. Je kan er misschien meteen nog een tiental purperkoppen (Puntius nigrofasciatus) uit zuid Azië of prachtbarbelen (Puntius conchonius) uit noordelijk India bijzetten. Of misschien gaat je voorkeur uit naar sherrybarbelen (Puntius titteya) uit Sri Lanka of de iets kleinere Sumatrabarbeel (Puntius oligolepis) uit Indonesië. Het zijn stuk voor stuk knappe vissen, wat uiteraard de keuze des te moeilijker maakt.

De kweek van onze Sumatraan is hoegenaamd niet moeilijk. Je kan op twee manieren kweken. Ofwel zet je een aantal geslachtsrijpe visjes in een ruime kweekbak die je beplant met grote groepen fijn bladerige planten en betegelt met grote dotten Javamos. Je brengt de DH op 5 en de pH op 7, of nog beter op 6. De watertemperatuur voer je op tot 28° C. Als je al de jongen wil overhouden, dien je de volwassenen te verwijderen. Als je daarentegen kan verdragen dat er enkele tientallen eieren of jongen sneuvelen op het veld van eer, laat je het hele zooitje maar betijen. Je moet er wel voor zorgen dat zowel de jongen als de ouderdieren letterlijk in het voer staan.

Ofwel kies je voor de meer klassieke aanpak en zet je één verliefd koppeltje in een kleiner kweekbakje, met dezelfde inrichting en waterwaarden als hierboven. Meestal zullen de eitjes, na een kort voorspel zoals dat heet, in groepjes van 3 tot 4 tussen de planten afgezet worden. In totaal zullen er zo een 500 stuks worden gedeponeerd. De kleine, licht geelbruine eitjes, die een geringe kleefkracht hebben, komen op de bodem of in het Javamos terecht. Na 24 uur hangen de eerste jongen al aan planten en ruiten. Het jongbroed kan men best voederen met Artemianaupliën, het eerder vernoemd slootinfuus en fijn stofvoer ( zoals o. m. Baby Fish Food E van Tetra en JBL- Nobil Fluid). In een ruime bak, en bij een goede waterhuishouding, zullen ze snel en zonder veel problemen opgroeien.

Van deze vis bestaan er ook enkele kweekvormen zoals de groene en de Albinosumatraan.

Wij houden nog altijd het meest van de zuivere stamvorm, zoals die in Keulen.

 
RocketTheme Joomla Templates