Telmatactis.jpg
Boraras maculata – dwerg-Rasbora Afdrukken

Siervis Leuven

Alhoewel de Rasborafamilie een grote diversiteit aan geschikte aquariumvissen oplevert, heeft zij nooit op overdreven populariteit bij de aquariaan kunnen rekenen. Buiten de Trigonostigma heteromorpha (kegelvlekbarbeel) heeft geen enkele soort zich lang in aquariumland kunnen handhaven. Sporadisch wordt er hier of daar eenmalig een enkele soort aangeboden. Zo duikt af en toe de dwerg-Rasbora (Boraras maculata) eens uit de vergetelheid op.

De dwerg-Rasbora behoort evenals de staartvlekbarbeel (Boraras urophthalmoides) tot de kleinere soorten: hij bereikt slechts een lengte van 2,5cm. Hij werd voor het eerst ingevoerd in 1908 en komt voor in zuid Maleisië, in Singapore en op Sumatra waar hij leeft in stilstaand of zachtstromend water. De oevers zijn hier vaak begroeid met overhangende grassen, die zich tot in het water vertakken.

Dit visje moet, gezien zijn minieme lengte, in een apart bakje gehouden worden. Een aquarium van 30 of 40 liter voldoet al ruimschoots om er een tiental in onder te brengen. Geef hen een donkere bodem, bestaande uit afgekookte turf of vezelturf. Voorzie daarbij een goede randbeplanting bestaande uit Myriophillum, kleinbladerige Hygrophila, kleinsoortige Cryptocoryne en Javamos maar laat toch wel voldoende zwemruimte over.

Indien je bovendien het bakje een zonnige standplaats geeft, hebben ze het helemaal naar hun zin. Ze houden zich meestal op in de middelste en onderste waterlagen, waar ze graag rondscharrelen tussen het fijne groen. Het water waarin wij ze houden moet zachtzuur zijn met een hardheid van 6° DH en een pH van 6 tot 6,5. Het water moet een temperatuur van 25 tot 26 °C hebben. Als voedsel nemen ze alleen maar kleine voedseldiertjes zoals Daphnia's, Cyclops en uitgegroeide pekelkreeftjes. Fijn droogvoer wordt weliswaar gegeten, maar het is beter het bij levend voer te houden omdat dit minder vlug bederft en het de natuurlijke jaagdrift van de visjes stimuleert.

De dwerg-Rasbora is een leuk ogend visje. Hij heeft een slank, matig samengedrukt lichaam. Zijn grondkleur is olijfgroen. De rug is steenrood. De lichaamszijden zijn oranjerood, de buik is dan weer geelachtig. Ter hoogte van de borstvinnen, in het midden van het lichaam, heeft hij een grote blauwzwarte ronde vlek. Boven de aarsvin heeft hij soortgelijke vlekken, die onregelmatig samenvloeien. Ook de staartvin heeft in de basis een dergelijke donkere pigmentering. Alle vinnen zijn geelrood en aan de basis donkerder gekleurd. De rugvin heeft een zwarte voorkant en een zwarte spits met een geprononceerde rode weerschijn in de voorste helft.

Het geslachtsonderscheid is, zoals bij vele zalmen, eenvoudig. De vrouwtjes zijn groter en krachtiger dan de mannetjes, die dan weer kleurrijker zijn. De vrouwtjes hebben een meer gelige grondkleur, waar de mannetjes een meer kersenrode ondertoon hebben. Deze visjes zijn het mooist als er een zonnestraal hun kleuren iriserend laat opflakkeren.

De kweek van de Boraras maculata is niet eenvoudig, maar doenbaar. Het kweekwater moet kiemvrij en zuur zijn met niet meer dan 2,5 DH en een pH van 5 tot maximaal 6. De temperatuur moet opgevoerd worden tot 28 en zelfs 30 °C.

Omdat niet ieder wijfje met om het even welk mannetje paart, moet men kunnen beschikken over meerdere geslachtsrijpe exemplaren. Als je één paartje hebt kunnen afzonderen, dat interesse voor mekaar heeft, zet je ze over in een 10 liter kweekbakje, met als bodembedekking grove kiezelstenen. Enkele Myriophyllums of een dot slakkenvrij Javamos zijn uitstekende aflegsubstraten.

Voor de eigenlijke paring gebeuren er meestal een paar schijnparingen. Wanneer je die kan waarnemen is het kweekstel in orde. De eitjes worden gewoonlijk afgezet wanneer 's morgens de zon in het kweekbakje schijnt. Een goed kweekstel produceert ca 200 eitjes, maar vermits het geduchte ei-rovers zijn mag je al dik tevreden zijn als er 20 tot 30 jongen overblijven. Het afzetten kan bij een temperatuur van 28 °C 24 tot 30 uur duren.

Aanvankelijk hangen de larfjes aan de planten en aan de ruiten en teren op hun dooierzakje. Pas na 3 tot 5 dagen zwemmen ze vrij rond en moeten ze gevoederd worden. Best geeft men hen raderdiertjes of vergelijkbaar klein voer. Na acht tot tien dagen eten ze pas uitgekomen Artemianaupliën of microaaltjes. Wanneer ze doordacht gevoederd worden en men regelmatig een deel van het water ververst, groeien de jongen flink op en zijn na twee maanden al 1cm groot.

Dit visje is uitermate geschikt voor een klein bakje op een bureau of op een klein meubel in het salon. Wanneer je er een beetje werk van maakt, kan deze kleine Boraras maculata een gezellige huisgenoot worden. 

 
RocketTheme Joomla Templates