P friedrichstahlii.jpg
Chromobotia macracanthus - De eerste levensdagen van een clownmodderkruiper Afdrukken

uit Aquaristik Fachmagazin Nr 181 febr/maart 2005
Vrij vertaald door Jos Jansen
Zilverhaai Beringen

Iedereen die reeds een beetje van aquaristiek weet, kent de pracht modderkruiper die onlangs de wetenschappelijke naam Chromobotia macracanthus gekregen heeft (vroeger had hij de naam van Botia macracantha, door de liefhebber ook wel clownvis of clownmodderkruiper genoemd. Deze vissen zijn zeer geliefd en worden veelvuldig aangeschaft voor grote gezelschapaquaria.
De vissen die in de vakhandel te koop zijn, zijn meestal importen uit Azië. Zij worden in Indonesië in het wild gevangen en naar Singapore verzonden. De voornaamste vanggebieden zijn gelegen in centraal Sumatra en centraal Kalimantan (Borneo). De vissen van Kalimantan zijn iets intensiever van kleur maar minder sterk.
Bij het begin van het regenseizoen trekken de oudere vissen stroomopwaarts, naar de paaigebieden. Na het paaien of kuitschieten, trekken ze terug stroomafwaarts in een gebied waar ze dan vier tot zes maanden verblijven. Er zijn twee paaitijden per jaar. In Sumatra worden de jonge visjes gevangen in december en maart, in Kalimantan gebeurt dit in januari en juni. Het paaien gebeurt vanaf het einde van het droogseizoen tot de eerste regen valt of anders gezegd bij het begin van het regenseizoen. Na het paaien trekken de ouders en ook de reeds grotere jonge vissen stroomafwaarts.
Reeds korte tijd na het kuitschieten van de ouders worden de eerste jonge vissen gevangen, tijdens hun stroomafwaartse tocht. Die vissen zijn dan twee tot vijf cm groot. De vissers hebben daarvoor een interessante en voorzichtige vangtechniek ontwikkeld. Deze techniek voorkomt dat de dieren door overbevissing, voor de aquariumliefhebber niet meer te verkrijgen zouden zijn.
De vissers maken, op de toegankelijke zandbanken, cirkelvormige vangkooien met dunne bamboe stokken, ze zijn zodanig geplaatst dat de kleinere vissen ze kunnen gebruiken als schuilplaatsen, terwijl de grotere exemplaren er niet kunnen in zwemmen. De vangkooien worden één tot tweemaal per dag gecontroleerd en leeg gemaakt. De gevangen vissen worden naar de exporteurs gebracht.
Korthaus (1979) ving Chromobotia macracanthus in Kalimantan en gaf zijn waarnemingen in detail weer. Hij schreef hierover een artikel in Das Aquarium 13, 498-502. Sindsdien ontbreken deze waarnemingen, het was wenselijk dat er nog eens iemand de beide gebieden waar deze vissen voorkomen, opzocht, en daarover verslag zou uitbrengen.
Een van de doelstellingen in het kweekprogramma van de firma Aquarium Dietzenbach (Duitse groothandel) is het kweken van Chromobotia macracanthus. De eerste resultaten kunnen we reeds laten zien. in dit artikel gaat het voornamelijk om het ei en de ontwikkeling van de jonge vissen.

(Bij het oorspronkelijke Duitse artikel is een fotoreportage geplaatst vanaf het ei, tot een visje van drie maand. Die we wegens i.v.m auteursrechten niet gaan publiceren.)

Bij Dietzenbach ontving men in 2001 een 30-tal vissen afkomstig uit Sumatra. De import gebeurde over Singapore. Met deze vissen werd een kweek gestart. Zij waren ongeveer 10 cm groot en men schatte ze 1 tot 1,5 jaar oud. Ze werden uitgezet in een vat van circa 500 liter dat voorzien was van een zandbodem en een grote hoeveelheid schuilplaatsen. Het water had een geleidbaarheid van 300µs/cm, een pH van circa 6.5 en een temperatuur van rond de 28 °C. De vissen ontvingen buiten Tubifex en diepvriesvoer ook droogvoer. In mei 2004 waren ze gegroeid tot een lente van 12 a 15 cm.
Meerdere pogingen, om ze met veranderingen van de waterkwaliteit tot ei-afzetting te stimuleren, bleven zonder resultaat. Doch einde mei 2004 waren er duidelijk slanke maar ook meer gevulde vissen herkenbaar.
Men gaat er vanuit dat er twee hoofdredenen bestaan waarom de vissen zo moeizaam tot ei-afzetting komen. Ten eerste hebben de vissen een zekere tijd nodig om geslachtsrijp te worden. In de natuur waren de vissen op drie jaar (zolang zaten ze bij Dietzenbach) zeker uitgegroeid tot 25 a 40 cm lengte, wat in de vrije natuur bij vissen die 3jaar oud de normale lengte is.
Ten tweede begint op Sumatra het kleine regenseizoen, dat is de periode dat daar de modderkruipers stroomopwaarts naar de afzetgebieden trekken.
De vissen die als wildvang bij Dietzenbach aangekomen waren hadden, ook nog na drie jaar, die inwendige klok die er hen op wees dat het regenseizoen begon.
De eerste kweekpoging had plaats in juni. Elk vrouwtje kan zowat 2000 doorzichtige groene eitjes afleggen. Het bevruchtingspercentage was met 50% niet zeer groot toch zwommen er, na circa 18 uur een 1500 tal kleine larven, in het water met een temperatuur van 28°C.

 

 

 

De embryonale ontwikkeling bij Chromobotia macracanthus

Onder een microscoop die 40 maal vergroot, is de ontwikkeling van het ei goed te volgen.
Op foto 1 zien we het ei direct na de bevruchting. Men ziet duidelijk het chorion omhulsel groter worden rond de bevruchte eicel of Zygote. Na ongeveer 20minuten is het groter geworden chorion omhulsel duidelijk op foto 2 te zien.
De eitjes van
Chromobotia macracanthus zijn pelagisch, dat houdt in dat ze in open water over de bodem zweven. Van de tot nog toe gekende vissen die op de bodem leven (zoals meervallen), liggen de eitjes gewoonlijk op de bodem, en niet zelden kleven of hechten ze er op vast.
Na zowat 3.5uur bevindt het ei zich in het langwerpig stadium zoals op foto 3 te zien is.
Op foto 4 is de vislarve 17.5 uur oud en uit het ei aan ‘t komen. Ook de larven van
Chromobotia macracanthus zijn duidelijk anders dan deze van andere bodembewoners.
Na 18 uur is de larve volledig uit het ei, men herkent duidelijk het hart en de ogen op foto 5.
Een verklaring waarom de eieren van Chromobotia macracanthus pelagisch zijn, is misschien te vinden in het feit dat deze vissen in vlakke overstroomde gebieden paaien. De eieren zouden naar de nog lagere randzones kunnen afdrijven waar ze ten prooi zijn van etende vijanden.
Anders als vele meervallen zoeken de ouderdieren niet naar beschermde zones om af te leggen het helpt hen niets omdat de eieren toch geen kleefkracht bezitten. In de bescherming van de drijvende oever beplanting kunnen de aangespoelde eieren ontwikkelen en uitkomen.

De jonge vissen
Pas uit gekomen larve doen, omwille van hun fragielheid en glazigheid, denken aan larven van karperzalmen (familie Characidea) die ook wel kleine glassplinters genoemd worden. Op de duidelijk afgetekende kop ziet men kleine ogen (foto dag 2). Het lichaam schijnt alleen uit chorda en dooierzak te bestaan. Deze dooierzak wordt bij 28°C op de nog al relatief lange tijd van 6 dagen verteerd voordat de jonge vis door zijn kleine mondje voedsel opneemt (foto dag 6). Dit voedsel bestond uit microwormpjes en pantoffeldiertjes, later werden vers uitgekomen Artemia eitjes bij gevoerd. De ogen zijn vanaf dag 6 reeds goed ontwikkeld, en de larve neemt de omgeving duidelijk waar, hij reageert met vluchtreflexen op lichtveranderingen. Het voedsel werd zeer langzaam en rustig opgenomen, hetzelfde gebeurt ook in de vrije natuur, hierdoor kan, al bij oppervlakkige waarnemingen aangenomen worden, dat deze larven pelagisch leven. Dit is eigenlijk niet zo, omdat ze het merendeel van hun dagen ergens veilig verstopt liggen. Ook de zes dagen oude larve houden ervan zich te verstoppen omdat ze aanvoelen dat het veiliger is.
Vanaf de 8ste of 9de levensdag begint het lichaam kleur te krijgen (foto dag 9). Het zijn nog altijd larven waarvan het lichaam in een vlies gewikkeld is. Dit vlies verdwijnt met het toenemen van de kleur en is na ongeveer de vierde levensweek totaal verdwenen, meteen zijn de vinnen op deze ouderdom volledig gevormd. Vanaf de 8ste dag vormen zich ook 4 strepen over het lichaam, de eerste loopt over de ogen, de tweede achter het kieuwdeksel. De derde streep, die later verdwijnt, begint bij de plaats waar de rugvin komt te staan. De vierde streep ten slotte, siert de staartwortel ter hoogte van de plaats waar later de aarsvin komt. Het is eigenaardig dat bij de verdere ontwikkeling de derde streep helemaal verdwijnt. De tweede streep echter wordt breder, bij de meeste exemplaren neemt ze een breedte aan van de kop tot het begin van de rugvin, naar onder toe versmaalt ze in een V-vorm. Wanneer de vissen zowat 2 maand oud zijn, zijn al de drie strepen goed gevormd, ook de vroegere vierde streep is zo breed geworden dat ze het grootste deel van de staartwortel bedekt.
Het rood kleuren van de vinnen begint met de staartvin, daarna volgt de rugvin, en als laatste kleurt ook de borst- en buikvin, en klaar is de kleine prachtmodderkruiper.
De jonge groeien relatief snel en kunnen na drie maanden een lengte van 4cm bereiken. De verdere opkweek verloopt dan ook zonder problemen. In de eerste levensdagen was het wel anders. Ze waren zeer gevoelig voor storingen van buitenaf, daarbij hadden ze helder en zuurstofrijk water nodig. Vuil geworden kweekbakken, of verstopte pompen zorgde gegarandeerd voor sterfgevallen. Voor de verzorgers betekent het extra aandacht maar dit is bij zulke kweekpogingen steeds het geval.
De auteurs van dit artikel hebben meerdere literatuur geraadpleegd. Voor een overzicht verwijzen we naar Aquaristik Fachmagazin Nr 181. In dit tijdschrift zijn naast de al vermelde foto’s ook nog opnamen van dag11, dag 19, week 6, 7, 8 en van +3maanden afgedrukt.


Variaties in kleuren en patronen
Zoals reeds is besproken, is de basiskleur van deze
Botiasoort oranje met zwarte banden. De hoeveelheid en de positie van het rood wordt bepaald door hun afkomst.
Deze variaties zijn vaak slechts opspoorbaar wanneer de vissen van verschillende herkomsten fysiek naast elkaar worden vergeleken.
Deze van Sumatra hebben een vrij intense kleuring. De kleurencontrasten zijn dieper dan de "saaiere" vissen van Borneo (=Kalimantan). Het duidelijkste verschil tussen deze vissen van deze geografisch gescheiden gebieden wordt vooral vastgesteld in de borstvinnen.
Clown Botias afkomstig van Borneo hebben een centraal zwart gebied, met een roodachtige oranje straal. De vissen van Sumatra hebben een stevige roodachtige oranje vin zonder zwart. Andere genoteerde verschillen omvatten minder kleuring van de dorsale en anale vin en een gebrek aan streepvoortzetting in de staart van de vissen van Sumatra. De vissen afkomstig van Kalimantan zijn gelijkaardig aan die van Sumatra, nochtans is de rode kleuring intenser. De subtiele kleurenvariatie tussen deze van Sumatra en die van Kalimantan kunnen worden toegeschreven aan hun herkomst.
In Sumatra leeft de
Chromobotia macracanthus in duistere, troebele wateren, terwijl die van Borneo de bruine looiwateren verkiezen. Misschien beïnvloeden de opgeloste organische stoffen van het watermilieu de roodachtige/oranje kleuren in de vissen. Alle vissen die ik in Australië heb gezien, schijnen van Borneo te zijn. Ik vond er enkel eentje van Sumatra! De patronen in de zwarte banden op deze vissen zijn fascinerend. Ik verzamel zoveel mogelijk verschillende types als ik maar kan.
Opvallend interessant: deze vlekken, vormen en strepen kunnen "verschuiven". Hiermee bedoel ik dat de intensiteit van zwart in de aangrenzende zones kunnen variëren en eigenlijk de vormen van de markeringen lichtjes veranderen/bewegen. Vaak worden vissen grijzer door vechten over leidingschap of voedsel. Er schijnen 7 basisontwerpen, met variaties onder elke groep te zijn.
Hiernaast staan een aantal voorbeelden die ik momenteel in mijn aquariums heb. We bemerken duidelijk het onderscheid van drie banden naar vier, al of niet onderbroken en diverse vormen van het zwarte kleurenpatroon.
----------------------------------------------------------
Men schat dat jaarlijks zo’n 20 miljoen stuks worden gevangen voor de aquariumsector over de gehele wereld. Clownvissen worden in Indonesië ook gevangen als consumptievis maar het is verboden om vissen groter dan 10cm te exporteren.
 

 
RocketTheme Joomla Templates