FY013.jpg
Colisa labiosus – diklipgoerami Afdrukken

  

Colisa labiosus  (Day, 1877)

Classificatie: Actinopterygii (Straalvinnigen) | Perciformes Osphrnemidae | Luciocephalinae

Wetenschappelijke naam: Colisa;  naar de inlandse naam ‘Kolisha’ – labiosus: van labia (Latijn) wat lippen betekent, dus diklippig

Nederlandse naam: Diklip goerami

Vindplaats:

India; Myanmar tot Thailand. In ondiepe wateren, ondergelopen gebieden en rijstvelden; die meestal zuurstofarm zijn, waardoor hun labyrintorgaan uitstekend van pas komt.
Werd voor het eerst ingevoerd in Europa in 1904.

Beschrijving:

  • Langwerpig lichaam, tamelijk verhoogd en zijdelings samengedrukt. Rug- en aarsvin zijn verlengd en beginnen praktisch van achter de kop en lopen bijna tot tegen de staartvin. De staartvin is redelijk groot; niet ingesneden en aan het uiteinde gebogen. De buikvinnen zijn typisch deze van veel labyrintvissen; dus lang en draadvormig uitgegroeid. Tot hier wat de vorm betreft.
  • De kleur van het lichaam is nogal veranderlijk; van bruin tot paarsachtig. Op de kieuwdeksels toont zich een blauwe vlek. De buikpartij is ook blauwachtig. Vanaf de kop vertonen zich blauwe verticale dwarsstrepen die langer worden vanaf de achterste helft van het lichaam en hier overgaan in de aarsvin. De rugvin heeft dezelfde kleur als het lichaam; afgezoomd met oranje waarvan het uiteinde zaagvormig verloopt. De staartvin heeft de lichaamskleur met lichtblauwe vlekjes. De onderste helft van de aarsvin is blauw en de zaagvormige zoom is geeloranje. De sprietvormige buikvinnen zijn oranje van kleur; waarvan de lengte, volgens sommige aquariumhouders, 9 – 10 cm kan meten; meestal wanneer wij deze in optimale condities in het aquarium houden; worden deze sprieten zo’n 7-7,5cm lang.

Geslachtsonderscheid:

De kleur van het wijfje is veel valer dan dat van het mannetje. De dwarsbanden zijn veel vager en op de staartwortel heeft zij een donker vlek. De rug- en aarsvin van het wijfje zijn afgerond; terwijl et mannetje langer en muntige uiteienden van deze vinnen heeft. Bij een van mijn kweekexemplaren kwamen deze zelfs voorbij het uiteinde van de staartvin. De lippen van het mannetje zijn tevens ook dikker dan van het wijfje. Volgens een beschrijving die ik ergens heb gelezen; zouden deze lippen van het mannetje pas dikker worden na een eerste paring. Zelf heb ik vastgesteld, toeval of niet, dat ook pas na de eerste paring de uiteinden van de rug- en aarsvin opmerkelijk verlengden. Kuitrijpe wijfjes hebben een dikkere buik en zijn meer gedrongen dan de mannetjes.

Het houden in een aquarium

Deze vis is bijzonder geschikt voor beginnende liefhebbers. Hij stelt weinig eisen aan de watersamenstelling als aan het soort voedsel. Hij gedijt even goed in regenwater als in leidingwater en eet zowat alles wat hem wordt verstrekt. De temperatuur ligt tussen de 22 en 28° Celsius; waarbij24° C ideaal is voor het aquarium. Opletten echter voor te koude lucht boven het wateroppervlak: een labyrintvis neemt af en toe een hapje lucht aan het wateroppervlak. Hij kan dus zowat in elk gezelschapsaquarium worden ondergebracht; liefst niet te klein – waarbij we denken aan minimum 100 cm lengte voor het aquarium -. Hij is een rustige aquariumbewoner die geen van zijn medebewoners zal lastigvallen. Slechts in de paartijd, wanneer de mannetjes een nest aan het bouwen zijn; blijven de andere vissen (inclusief hun wijfjes) liefst wat uit de buurt van het nest. Om die reden is het aangeraden om in een hoek van het aquarium een dichte beplanting aan te brengen: waar de wijfjes zich kunnen verbergen wanneer het mannetje te ruw wordt. Het broedterritorium is echter niet zo groot; zodat andere vissen voldoende plaats overhouden voor hun dagelijkse activiteiten.

De kweek

De kweek met de Colisa labiosus is heel eenvoudig. Het kweekbakje nemen we liefst niet te klein, gelet op het grote aantal jongen. We denken hierbij aan een minimum lengte van 40 cm voor het kweekaquarium. We vullen deze zo’n 15cm hoogte met water uit het gezelschapsaquarium. De hardheid ligt ergens rond de 24° DH. We gebruiken veel drijfplanten zoals eendenkroos, Riccia of eikenbladvaren. Het schuimnest dat door het mannetje gebouwd wordt is niet zo stevig en drijft zonder de hulp van drijfplanten nogal vlug uiteen. In de hoek van het aquarium zorgen we voor een dichte beplanting met eikenbladvaren – verzwaard met wat lood – waarin het wijfje wat kan schuilen voor het mannetje; die tijdens de bouw van het nest, het wijfje hardhandig durft aanpakken, wanneer ze zich durft te vertonen. Wanneer hij met haar wil paren; gaat hij haar opzoeken in de dichte beplanting. De temperatuur van het water tijdens de kweek mag gerust opgetrokken worden naar 26-27° C.
Nadat het koppeltje werd ondergebracht in het kweekaquarium, en hun schuwheid wat is verdwenen, gaat het mannetje druk aan de slag om zijn schuimnest te bouwen. De nestbouw kan een hele dag in beslag nemen. De paringen beginnen over het algemeen in de vroege morgen en kunnen duren tot de middag. Dit gebeurt als volgt: Onder het schuimnest plaatst het wijfje zich met de snuit tegen de flank van het mannetje. Het mannetje vouwt zijn lichaam als het ware rond het wijfje. Langzaam wentelen ze zich ineen gestrengeld om zodat hun buik aan de bovenkant komt. Het mannetje knijpt het lichaam van het wijfje zodat zij enkele eitjes afzet die hij onmiddellijk bevrucht. De eitjes hebben een positief drijfvermogen, zodat deze opstijgen in het schuimnest. Het wijfje wordt na de ei-afzetting onmiddellijk met volle geweld verjaagd tot de volgende paring. Het mannetje zal daarop het schuimnest aanvullen met nog meer schuim. Na een tijdje komt er een volgende paring. In het begin is dit met tussenpozen van 2 à 3 minuten; nadien worden die pauzes veel langer en na enkele uren is alles afgelopen en zijn zo enkele honderden eitjes afgezet in het schuimnest. Het is raadzaam om dan het wijfje uit het kweekaquarium te verwijderen. Het mannetje bewaakt het nest en produceert, waar nodig, nog meer schuim om het nest te verstevigen. Na 30-40 uren, afhankelijk van de temperatuur, kippen de eitjes en kunnen de larfjes in het schuimnest (of wat er nog van overblijft) zien hangen. Als eerste voedsel bieden we hen Liquifry en infusie van aardappel en bananenschil. Wanneer we echter ook gezond slootinfusie kunnen bemachtigen; dan heeft dit natuurlijk de voorkeur. Er kan echter niet genoeg benadrukt worden dat de jongen ‘in het voedsel moeten staan’; zodat ze maar te slikken hebben. Wanneer we dat niet bewerkstelligen; is er ook weinig te verwachten van de kweek. Na acht dagen kunnen we de jongen Artemianaupliën voorschotelen. Pas een week later kunnen we watervlooien en fijn gewreven droogvoeder (ook plantaardig, zoals Spirulinavlokken) aanbieden. Wanneer de jongen 3 à 4 weken oud zijn; begint hun ademhalingsorgaan, het labyrint, te functioneren. Vooral de grootte van de jongen is hierbij van belang, want bij de kleinere exemplaren in de jongen, kan het langer duren. Dit is merkbaar doordat de jongen als een schicht naar het wateroppervlak schieten om lucht te happen. Dit gebeurt echt vliegensvlug; daarom houden we de waterstand ook laag. Bij de vorming van het labyrint beginnen ook de eerste slachtoffers te vallen. Eenmaal dit stadium voorbij is nagenoeg alle gevaar geweken voor de jonge Colisa labiosus en bij een goede voeding en verzorging groeien zij uit tot mooie volwassen exemplaren.
Nog een goede raad: stop niet te voorbarig met het toedienen van slootinfusie (of het eerste voedsel) want niet alle larfjes groeien even vlug; wanneer we te snel overschakelen naar grover voedsel krijgen de kleinste larfjes dit niet naar binnen.

 
RocketTheme Joomla Templates