Malawi_kopprofiel.jpg
Chromobotia macracanthus Afdrukken

Aquatropica Kortrijk

Chromobotia macracanthus - Een clown in het aquarium 

De gedachte om een artikel te schrijven over de clownbotia spookte reeds lang rond in mijn hoofd, maar om een of andere reden kwam het er nooit van. Tijdens een voordracht, onlangs in onze vereniging, werd deze vis weer ter sprake gebracht en dat motiveerde me om toch ens aan dit artikel te beginnen. Volgens de spreker is zijn gevoeligheid voor witstip de grootste verdienste van deze vis. Door zijn gevoeligheid en zijn geel/zwart kleedje kan men deze parasieten zeer vlug opmerken, zodat men de ziekte kan bestrijden vooraleer de andere vissen aangetast zijn. Daarom wordt hij door de spreker ten zeerste aangeraden. De redenering hierachter is weliswaar juist - de clownbotia is inderdaad zeer gevoelig voor witstip - doch deze vis aanraden alleen omdat hij te gebruiken is als een soort witstip-indicator lijkt mij onjuist. Als men op zo'n manier vissen propagandeert ontstaat het risico dat deze vissen in een leefomgeving terecht komen die voor hen totaal ongeschikt is, met alle gevolgen van dien. Tijdens de vergadering hebben we daarvan trouwens een perfect staaltje gezien. Omdat de Corydorassoorten aangeprezen worden als de ideale vuilopruimer, worden ze door vele mensen (ook door één van de sprekers) voor dit doel aangeschaft zonder met hun specifieke eisen rekening te houden. Aangezien de Corydoras een bodemvis is die constant de bodem doorscharrelt op zoek naar eten, moet men een bodemgrond gebruiken die bestaat uit niet-snijdende fijne kiezel. De spreker gebruikt echter voor zijn bak, bevolkt met vele soorten cichliden en "vuilopruimers" zeer grove kiezel wat resulteert in Corydoras zonder baarddraden. Ik dacht dat onze hobby erin bestond om onze pleeglingen in optima forma te houden. Maar ja het doel heiligt de middelen. Dit even terzijde.

Laten we nu eens de clownbotia van dichterbij bekijken.
De clownbotia of Chromobotia macracanthus zoals zijn wetenschappelijke luidt werd reeds in 1852 door de Nederlandse natuuronderzoeker en arts Pieter Bleeker beschreven. Deze botia vindt zijn leefgebied in Kalimantan (Borneo) en Sumatera (Sumatra) waar hij zich ophoudt in traag stromende rivieren, meren en moerassen.

Sedert zijn introductie in de aquariumwereld zo'n 60 jaar geleden is hij steeds de lieveling geweest van menig aquariaan. Niettegenstaande deze vis tegenwoordig commercieel nagekweekt wordt, worden er jaarlijks enkele honderdduizenden clownbotia's uit Indonesië geëxporteerd. In een poging om deze vis te beschermen heeft de Indonesische regering in 1987 een exportverbod afgekondigd voor clownbotia's groter dan 15 cm, zodat deze nog niet echt in hun voortbestaan bedreigd worden.

Omtrent het geslachtsonderscheid heerst er enige onduidelijkheid. Sommige auteurs beweren dat het geslachtsonderscheid te merken is aan o.a. de vinvorm. De buik- en borstvinnen zijn bij de mannetjes puntig, terwijl ze bij de vrouwtjes een meer afgeronde vorm hebben (zie tekening).

Andere auteurs (Steinle & Schmidt) daarentegen beweren dat het voorgaande een veralgemening is van een subjectieve waarneming. Het geslachtsonderscheid zou enkel te merken zijn aan de grotere lichaamsomvang bij kuitrijpe vrouwtjes. In zijaanzicht is dit niet te merken. In vooraanzicht echter kan men een matige tot een in het oog springende welving der flanken zien. De verdikking begint bij de aanzet van de borstvin en eindigt voor de derde en laatste dwarsband. Niet kuitrijpe vrouwtjes van mannetjes onderscheiden is niet mogelijk. Nog een ander auteur (Schaller) vermoedde het geslacht te kunnen bepalen aan de hand van de buikvinkleur. Hij bezat namelijk zowel vissen met rode buikvinnen als vissen met zwarte buikvinnen. Schaller bezat waarschijnlijk de tot hier toe zelden geïmporteerde Borneo-clownbotia. Volgens Korthaus onderscheiden deze zich van de meer gekende Sumatra-vorm door de overwegend zwarte borst- en buikvinnen. In hun rugvin, die voor 2/3 zwart is, ontbreekt de gelachtige transparante band. De eveneens voor 2/3 zwarte aarsvin wordt aan de binnenkant begrensd door een geelachtige band. De laatste zwarte dwarsband reikt tot aan de staartsteel, die bij de Sumatra-vorm oranjegeel is.

Aan de hand van eigen waarnemingen ben ik geneigd om de theorie van Steinle & Schmidt aan te nemen, maar ik durf mij niet voor 100% uitspreken, daar mijn schooltje Botia slechts bestaat uit 3 individuen, zodat de kans erin zit dat ze alle 3 van hetzelfde geslacht zijn. In ieder geval vertonen mijn vissen geen enkel verschil in vinvorm. Een van de 3 is beduidend groter dan de 2 andere. Mogelijks betreft het hier een vrouwtje. De kleinere delen hun schuilplaats, terwijl de grootste een aparte schuilplaats heeft.

In de natuur worden deze vissen ruim 30 cm groot. Gelukkig worden ze in het aquarium niet zo groot en groeien ze zeer traag. Bij 15 tot 18 cm grootte houden ze het meestal voor bekeken. De grootste van mijn Botia is ongeveer 15 cm groot niettegenstaande hij reeds 13 jaar in mijn aquarium rondzwemt. Als je werkelijk uitgegroeide Botia wilt zien moet je eens de zoo van Antwerpen bezoeken.

De clownbotia is een speelse, vredelievende scholenvis, die in tegenstelling met vele andere vertegenwoordigers van het geslacht Botia ook overdag veel te zien is. Dit overdag te zien zijn is afhankelijk van het al dan niet voorhanden zijn van schuilplaatsen. Indien deze niet voorhanden zijn zal men de clownbotia veel opmerken. In het andere geval zal men hem minder te zien krijgen overdag. Alleen als het werkelijk rustig is rond het aquarium en bij etenstijd zullen ze te voorschijn komen.
Als men traag langs het aquarium loopt valt het op dat hun blik uw bewegingen volgt. Dit merkwaardig gedrag kan men naar het schijnt ook opmerken bij cichliden.
Voor het algemeen welzijn der dieren is het wel beter om een aantal schuilplaatsen aan te brengen onder de vorm van omgekeerde halve kokosnootschalen, bloempotten, kiemhout, rotspartijen, enz..
De clownbotia heeft een nogal rare manier om uit te rusten. Hij heeft immers de gewoonte om op zijn zijkant te liggen. Veel niet-aquarianen die bij mij thuis komen denken bij het zien van de op hun zijkant liggende vissen dat ze dood zijn.
Deze vissen houden het meest van ruime, flink beplante bakken gevuld met zacht, helder en zuurstofrijk water dat een temperatuur heeft die schommelt tussen de 24 en 28 °C.
Ook een regelmatige verversing van het water stellen ze op prijs.
De clownbotia is een alleseter met een voorkeur voor wormachtigen. Hij eet ook graag slakken. Indien er Botia in uw bak zitten hebt u gegarandeerd geen last van slakken.

Over de voortplanting in het aquarium is weinig bekend. Hier en daar worden wel toevalskweken gemeld, maar in het algemeen mag men stellen dat ze zonder hulp van buitenaf niet na te kweken zijn. In de voormalige Oostbloklanden wordt er veel geëxperimenteerd met hormonale stimulatie. Door het injecteren van geschikte hormonen bij zowel het vrouwtje als bij het mannetje wordt het afleggen gestimuleerd.

Om te eindigen wil ik nog een woordje zeggen over de verdedigingsmiddelen die deze Botia bezitten. Alle Botiasoorten bezitten een oogdoorn. Deze bestaat uit twee ongelijke stekels die meestal boven elkaar liggen. De Botia zijn in staat om bij gevaar deze doorn uit te klappen. Een schepnet betekent voor deze vissen eveneens gevaar, omdat bij het uitscheppen deze doorn meestal uitgeklapt is. Opletten dus dat ze met deze doorn niet verstrikt raken. Het terug loshaken kan ernstige letsels veroorzaken aan het spierstelsel rondom het oog.
Een Botia aanraken met de blote handen kan zeer pijnlijk zijn als hij met zijn doorn in uw vingers prikt. Ik kan u verzekeren dat dit absoluut geen deugd doet.
Een tweede verdedigingsmethode bestaat uit het produceren van geluid. De meeste aquarianen zullen al gehoord hebben dat vele Botiasoorten een knak-toon kunnen produceren. Volgens waarnemingen gedaan door Klausewitz (1958) en Meinken (1958) blijkt dat de Botia dit geluid steeds laten samengaan met een aanval. Door het goede gehoorvermogen van andere vissen roept deze knak een schrikreactie op. Op welke manier dit geluid voortgebracht wordt is niet duidelijk. Men vermoedt dat deze knak ontstaat door een doornachtig beenuitsteeksel dat zich vast haakt aan het gehoorbeen en bij het loslaten een knak veroorzaakt. Het voorste gedeelte van de zwemblaas zou dienst doen als geluidsversterker.

Samenvattend kan men stellen dat dit een uitstekende vis is voor de grotere gezelschapaquaria mits het in acht nemen van enkele eisen, zoals schuilplaatsen en niet al te grove bodemstructuur. Gehouden in optimale omstandigheden zal hij ons jarenlang plezieren en onze bak vrijhouden van ongewenste slakken.

Bronvermelding

  • William N. ESCHMEYER, Catalog of the genera of recent fishes, San Francisco, 1990
  • Volker FREY, Lexikon der Aquaristik in 3 Bänden, Radebeul, 1992
  • Martin HEYLIGEN, Subgenera, groepen en species van het genus Botia, in Aquariumwereld 1/1991, p. 16-24
  • Maurice KOTTELAT, Freshwater fishes of Western Indonesia & Sulawesi, Jakarta, 1993
  • Jindrich NOVAK &Jaroslav HOFMANN, Induzierte Aquarienfishzucht unter Hormoneneinfluß, in DATZ 1/92, p. 20-24
  • Dr. Rüdiger RIEHL & Hans BAENSCH, Aquarien Atlas bd.1 5de oplage, Melle, 1985
  • Jacques ROELANDTS, Botia macracantha, in Aquariumwereld 10/1990, p. 219-221
  • Christian-Peter STEINLE &Jürgen SCHMIDT, Botia macracanthus, Sekundäre Geschlechtsmerkmale und Zeichnungsvariabilität, in DATZ 12/1990, p.723-724
  • Günther Sterba, Encyclopedie van de aquaristiek en ichtyologie, Amsterdam. 198
 
RocketTheme Joomla Templates