FY004.jpg
Marosatherina ladigesi Afdrukken

Aquatropica Kortrijk 

Marosatherina ladigesi, een vis zoals een edelsteen

    

Iedereen heeft zo zijn lievelingsvissen. De ene houdt van barbelen, terwijl een anders van Malawi-cichliden houdt. Tot mijn uitverkorenen behoren de meervallen van de familie Loricariidae en grondels allerhande. Spijtig zijn dit praktisch allemaal bodemvissen. Komt daarbij nog dat vele meervallen tijdens de dag nauwelijks bewegen. Het is dus evident dat in een aquarium, uitsluitend bevolkt met zo'n vissen, tijdens de dag weinig leven te bespeuren zal vallen.
Om het geheel wat meer op te vrolijken moeten er dan ook vissen rondzwemmen die de middenste en bovenste laag van het aquarium bevolken. Mijn voorkeur gaat uit naar vissen uit de Australische regio, zoals bv. regenboogvissen.
In dit verhaal zal ik het echter hebben over de Celebeszeilvis.

De literatuur omtrent dit visje is nogal schaars. De beste referentie vond ik in de Aquarien Atlas bd.1 van Riehl en Baensch.
Deze vis werd in 1936 door de Duitse ichtyoloog Ernst Ahl beschreven en ter ere van Prof. Ladiges, Telmatherina ladigesi genoemd.
Deze vis werd in 1998 door Aarn, Ivantsoff & Kottelat ondergebracht in een nieuw geslacht, nl. "Marosatherina".
De geldige naam voor de Celebeszeilvis is dus Marosatherina ladigesi

 

Ernst Ahl zag op 01/09/1898 te Berlijn het levenslicht. Van 1921 tot 1941 was hij als herpetoloog en ichtyoloog verbonden aan het Zoölogisch Museum van de universiteit van Berlijn. Op 27/08/1939 werd hij gemobiliseerd. Hij nam deel aan de Poolse campagne waar hij gewond werd. Na zijn genezing werd hij in noord Afrika ingezet. Op 30/03/1941 kreeg hij zijn ontslag bij het zoölogisch museum. In 1945 sneuvelde hij in Joegoslavië. Ahl heeft in de twintig jaar dat hij verbonden was aan het Berlijnse zoölogisch museum ongeveer 200 vissoorten beschreven. Alleen al in 1924 publiceerde de toen 26-jarige Ahl 44 soorten, waarvan er vele ongeldig waren.

 

 

 

Het voormalige Celebes was van 1627 tot 1949 in Nederlandse handen. Daarna werd het Indonesisch gebied en werd de naam veranderd in Sulawesi. Dit eiland heeft op grond van zijn bijzondere ligging tussen de Oriëntalis (zuid Azië) en de Australis (Australië, eilandgroepen in het Indo-Pacifische gebied) regio een speciale zoögeografische betekenis. Het is dus niet te verwonderen dat Sulawesi een unieke fauna en flora bezit. Er komen veel dieren voor die enkel daar te vinden zijn, zoals bv. het kleinste rund ter wereld, de Anoa. De visfauna bestaat bijna uitsluitend uit endemische soorten. De Telmatherini (Marosatherina, Telmatherina, Tominanga, Paratherina, Kalyptatherina) bevat tot heden 17 soorten. Alle komen, met uitzondering van Kalyptatherina helodes die ook op Irian Jaya (het Indonesisch gedeelte van Nieuw-Guinea) te vinden is, enkel voor op Sulawesi.

Tegenwoordig wordt de Celebeszeilvis geplaatst in de Telmatherinidae.
Zoals zijn populaire naam laat vermoeden kan men M. ladigesi aantreffen in Sulawesi (voorheen Celebes) en meer bepaald in de omgeving van Ujung Pandang (voorheen Makassar). De meeste vissen op het eiland komen uitsluitend voor in de meren, terwijl M. ladigesi enkel te vinden is, in niet al te snel stromende rivieren. Deze bevatten relatief weinig soorten.
Als men de topografie bekijkt van Sulawesi, valt dit fenomeen gemakkelijk te verklaren. Het eiland bestaat bijna uitsluitend uit gebergte en bevat slechts smalle stroken laagland. De meeste rivieren zijn dan ook bergrivieren met een zeer sterke stroming; en van zodra deze wateren de bergen verlaten hebben, komen ze na enkele honderden meters of ten hoogste enkele kilometers reeds terecht in de zee. Deze turbulente omgeving werkt zeker niet stimulerend voor het ontstaan van een zeer uitgebreide visfauna.

Volgens de boeken is het een vreedzame, tot 7 cm groot wordende scholenvis die houdt van veel zwemruimte, middelhard tot hard water (>12° dGH), een neutrale pH en een temperatuur van 24-27 °C. De bak moet zo opgesteld zijn dat de morgenzon er kan in schijnen. Een wekelijkse waterverversing (25%) zouden ze ten zeerste waarderen, evenals toevoeging van zeezout (1-2 eetlepels/10 l). Ze eten alle soorten levend voer en vlokvoer.

Ze zijn gevoelig voor het overzetten van de ene bak naar de andere met een afwijkende waterhuishouding. De vissen verdragen een overzetting van zacht naar hard water beter dan van hard naar zacht water.
Uit ervaring weet ik dat deze boekenwijsheid toch wel een beetje genuanceerd mag worden. Zo heeft het lichtzure water in mijn bak een GH van 5 ° zonder enige zouttoevoeging, toch verkeren deze vissen in een uitstekende conditie getuige hiervan zijn de bijna dagelijkse paarrituelen.

De kleur van dit visje valt moeilijk te omschrijven. Het lichaam is doorzichtig met een gelige, blauwgroene zweem. Van het midden van het lichaam tot aan de staartwortel loopt een fluorescerende groenblauwe lengtestreep. De tweede rugvin en de aarsvin zijn doorschijnend geel met in beide een zwarte eerste vinstraal. Het verschil tussen beide sexen is zeer duidelijk. De vinstralen van de tweede rugvin en de aarsvin zijn bij de mannetjes sterk verlengd en bij sommige is er in de lobben van de borstvinnen en de staartvin een witte vlek zichtbaar. Tijdens het baltsen of tijdens het imponeren krijgen de mannetjes een donkergrijze tint en wordt de eerste vinstraal van de rug- en aarsvin rechtop gezet. Werkelijk een indrukwekkend gezicht.

Het baltsen of imponeren verloopt vrij rustig. Er zijn geen wilde achtervolgingen, zoals bv. bij de Odessabarbeel waar het vrouwtje werkelijk geen rust vindt en soms het bijltje erbij neerlegt indien er geen schuilplaatsen zijn voorzien. Als er meerdere mannetjes aanwezig zijn weten ze soms niet wat eerst gedaan, een vrouwtje versieren of een concurrerend mannetje overdonderen. Als tenslotte na veel vijven en zessen toch een vrouwtje ingaat op zijn avances, worden de eieren boven fijn-bladerige planten afgezet, soms ook gewoon op de bodem.
De aanleiding om het baltsspel of imponeren te beginnen zijn vaak de eerste zonnestralen die 's morgens de bak verlichten. Dit spel duurt tot de middag. Daar de tijd ontbreekt om er mee te kweken laat ik ze gewoon hun gang gaan. Wil men er werkelijk mee kweken, dan moet men ze apart in een bakje beplant met fijnbladige waterplanten en drijfplanten zetten en na de paring de vissen onmiddellijk verwijderen, daar ze zeer graag visseneieren lusten. Voor het doelgericht kweken is het misschien beter om middelhard water met een lichte zouttoevoeging te gebruiken, maar dit is boekenwijsheid, ikzelf heb zoals reeds eerder vermeld geen ervaring met het kweken van de Celebeszeilvis.

In de diverse referentiewerken kan men lezen dat ze alle soorten levend voer en droogvoer aannemen; uit ervaring echter weet ik dat ze, zolang ze niet volgroeid zijn, ze geen groot voeder aankunnen. Met rode muggelarven hebben ze soms al moeite. Vlokkenvoer schijnen ze bij mij niet te mogen. Voedsel vanaf de bodem kunnen ze evenmin opnemen, dus moet men langzaam en in kleine hoeveelheid eten toedienen, tenzij men veel bodemvissen heeft zoals in mijn geval.

Bij aankoop moet men er eveneens rekening mee houden dat ze nogal schuw van aard zijn. Gedurende de eerste dagen zijn ze werkelijk zeer schichtig. Bij de minste beweging rondom de bak zwemmen ze in paniek alle kanten op, dus ook naar boven, zodat de bak dient afgeschermd te zijn met dekruiten, wil men niet regelmatig gemummificeerde lijken terugvinden op de vloer. Gelukkig passen ze zich vrij snel aan hun nieuwe omgeving aan, maar ze blijven toch altijd min of meer schuw.

Bronvermelding

  • Dr. Herbert R. AXELROD e.a., Exotic tropical fishes expanded edition II, Neptune City, 1983.
  • William N. ESCHMEYER, Catalog of the genera of recent fishes, San Francisco, 1990.
  • Maurice KOTTELAT, Die Süßwasser-Fauna von Sulawesi, in D.A.T.Z. 9/89, p. 555-558.
  • Maurice KOTTELAT, Sulawesi: Flußfische, in D.A.T.Z. 12/90, p. 735-738.
  • Maurice KOTTELAT, Neu beschriebene Fische von Sulawesi, in D.A.T.Z. 10/92, p. 653-659.
  • Dr. Hans-Joachim PAEPKE, Ein stück aquaristische Geschichte : Ernst Ahl und seine Zeit, in D.A.T.Z. 6/93, p. 380-384.
  • Dr. Rüdiger RIEHL & Hans A. BAENSCH, Aquarien Atlas bd.1, Melle, 5 de oplage, 1985.
  • Günther STERBA, Encyclopedie van de aquaristiek en ichtyologie, Amsterdam, 1981.
 
RocketTheme Joomla Templates