FY013.jpg
Macropodus opercularis Afdrukken

Paradijsvissen in de vijver,

Sinds enkele jaren heb ik 's zomers in mijn vijver Chinese danio's. Aangezien deze vissen in de bergen voorkomen waar de beken regelmatig 0°C. zijn, kunnen deze vissen goed vertoeven in onze vijvers, samen met niet al te grote vissen. In het najaar ving ik ze er telkens weer uit. Ik haalde er altijd meer uit dan dat ik erin had gedaan. Ze waren dan erg groot en vet en prachtig op kleur na deze vakantie in de vijver. De gezondste danio's, die ik ooit had gezien. Soms kwam ik in het voorjaar wel eens vissen tegen die ik in het najaar over het hoofd had gezien. Deze exemplaren hadden de dichtgevroren vijver in de winter zonder moeite overleefd. Echter, dit was niet mijn opzet; ik haal ze er liever binnen voor de winter.

Goed, na een aantal jaren wilde ik wel eens wat anders proberen, dus moest ik de literatuur er maar eens op na slaan of ik nog andere vissen kon vinden die eventueel geschikt zouden kunnen zijn. Als vrij snel kwam ik de naam Macropodus opercularis tegen, ook wel in het Nederlands 'paradijsvis' genoemd. Deze labyrintvis uit oost China kon goed tegen wat koudere temperaturen en er werd vaak bij vermeld dat ze 's zomers in vijvers gehouden konden worden. Nooit had ik begrepen waarom men deze vis, deze bijna adellijke naam toegeschreven had. Want al leek hij op afbeeldingen in boeken er best aardig uit te zien, de exemplaren die ik in de handel zag zwemmen vond ik toch weinig indrukwekkend, wat betreft schoonheid en gedrag. Maar goed, ik besloot toch twee mannetjes en twee vrouwtjes mee te nemen en deze tegen eind maart in mijn vijver te plaatsen na een paar warme dagen.

Twaalf danio's waren hen reeds voorgegaan. Na het vrij laten schoten ze gelijk weg; na twee weken en een paar koude dagen had ik nog niets van ze vernomen. Ik voelde me al enigszins schuldig want ik dacht dat de paradijsvissen inmiddels het paradijs al gehaald hadden. Tot ik op een ochtend eens ging kijken hoe de danio's ervoor stonden. Daar zag ik tussen de waterplanten een schimp. Even wachten en, ja hoor, daar kwam voorzichtig het hoofd van een mannetje tevoorschijn. Gelijk viel mij op dat de grauwe vis al mooi op kleur was geraakt. Na nog even wachten zag ik ook nog een vrouwtje onder de eerste bladeren van de waterlelie vandaan komen. Bij de kleinste onrust verdwenen ze weer in het niets, waarna je ze pas uren later weerterug zag. Na een aantal weken waren ze gewend aan mijn regelmatige bezoekjes bij de vijver en waren ze allesbehalve schuw en toen bleek bovendien dat ze alle vier nog in leven waren. In een ondiep grindbed in de vijver waar de vogels zich elke dag kwamen wassen en de zon de temperatuur van het water tot grote hoogte kon doen laten stijgen zag ik opeens een paar jonge 3 à 4 mm grote visjes. Eerst dacht ik aan visjes die meegekomen waren met het vangen van levend voer. Het konden toch geen jonge paradijsvissen zijn; ik had nog geen schuimnest ontdekt. Maar deze jonge visjes konden stilhangen in het water en zich dan 90 graden omdraaien zonder van de plaats te komen en dat had ik jonge voorntjes enz. nog nooit zien doen. Ja hoor! Het bleken al de eerste jongen van de paradijsvissen te zijn. Hun ouders waren inmiddels uitgegroeid tot tamme prachtige dikke vissen. Trots zwommen ze door de vijver, met hun vinnen wijd uitgespreid toonden ze hun volle kleurenpracht. Hun blauwe en rode strepen schitterden op in het zonlicht. Het was een lust voor het oog om de territoriumgevechten van de mannetjes te zien. Naast elkaar zwemmend en zich zo groot mogelijk makend met de vinnen wijd uitgespreid om de tegenstander te imponeren. Als dat gelukt was begonnen ze de vrouwtjes het hof te maken. Bij deze bezigheden sprongen de vissen soms zelfs boven het water uit. Soms hield ik een spiegel schuin in het water zodat ik onder de waterspiegel kon kijken. Vrijwel altijd kwam hier na verloop van tijd een mannetje op af die zijn spiegelbeeld uit zijn territorium wilde jagen.

De vissen waren inmiddels allesbehalve schuw; ze aten zelfs regenwormen tussen mijn vingers vandaan. Alles wat bewoog op en vlak boven het wateroppervlak kreeg de aandacht. Als een insect te water gekomen was zwom de vis er eerst 10 - 20-sec. tot l minuut, 10 à 15 cm onder. Alsof hij zijn prooi probeerde in te schatten, zodat ze zich konden verzekeren "dat het hapje lekker zou zijn en de kust veilig was". Vervolgens kromde hij/zij het lichaam waarna de vis, die altijd zo rustig door het water zwom, pijlsnel toe kon slaan. Zelfs als een mier of vliegje boven het wateroppervlak op een plant of steen zat, werd hij nauwlettend in de gaten gehouden. Ik heb zelfs een keer waargenomen dat hier een sprong naar gewaagd werd, die overigens wel mislukte. Om een prooi te pakken te krijgen gingen ze soms zelfs op hun zij door het water, als het water niet diep genoeg was. De schuimnesten had ik inmiddels ontdekt. Onder wat algen, bladeren en wat andere bij elkaar verzamelde plantaardige resten zaten de schuimnesten verborgen. Soms werden ze door een regenbui beschadigd, maar nooit echt verwoest. Tot mijn verbazing zag ik dat er drie schuimnesten waren, terwijl ik volgens mij maar twee mannetjes in de vijver had gedaan. Achteraf bleek dat een van de vrouwtjes een mannetje was van een nauw verwante soort nl. Macropodus chinensis of de Macropodus ocellatus, ook wel Rondstaart-paradijsvis genoemd. Deze onderscheidt zich van de 'gewone' paradijsvis door afgeronde vinnen en wanneer op kleur krijgen ze een bruinzwart lichaam dat sterk afsteekt tegen de lichtere, gevlekte kop en de blauw met rood gestreepte vinnen.

Na drie maanden zwommen er jonge paradijsvissen rond in mijn vijver van verschillende maten, waaronder ook de kruisingen van de twee soorten. (Achteraf betwijfel ik of alle vier de volwassen exemplaren wel raszuiver waren.) Eigenlijk van april t/m half september hebben de mannetjes schuimnesten gehad. Ik had wat medelijden met het vrouwtje maar deze blaakte van gezondheid. Waarschijnlijk door het levende voer en de 'natuurlijke' omstandigheden kon ze veel kuit produceren. De jongen bleken van jongs af aan kopieën van hun ouders wat betreft jacht- en territoriumgedrag. De jongen beschermden vanaf 1 cm groot een continu variërend stukje territorium binnen de territoria van de vier volwassenen die een soort gedoogbeleid voerde. Wat mij opviel was dat er exemplaren tussen zwommen die vanaf 1 cm grootte een metaalblauwe vlek op hun hoofd hadden. Zij waren ook wat agressiever dan de anderen, vooral tegen elkaar. Volgens mij waren dit mannelijke exemplaren die zich zo jong al in hun rol schikten. In het najaar haalde ik samen met de ouders zo'n 90 vissen uit de vijver variërend van 9 mm t/m 4,5 cm; alle blakend van gezondheid. Het waren er ongetwijfeld meer geweest als de libellenlarven zich er niet zo aan te goed hadden gedaan. En de Chinese danio's kwamen alle 12 weer gezond uit de vijver dit jaar, echter zonder jongen die een smakelijke prooi waren geweest voor mijn paradijsvissen denk ik; paradijsvissen, die hun naam alle eer aandoen.

 
RocketTheme Joomla Templates