A_barteri.jpg
Ancistrus sp. (L.184)- Nakweek van... Afdrukken
Geschreven door Hans-Jürgen Frömelt   

artikel uit Datz 11/2000, auteur : Hans-Jürgen Frömelt,
      
      vrij vertaald door De Beuckelaere Bart

Nakweek van Ancistrus sp. (L184)

Naar harnasmeervallen blijft er nog steeds vraag, toch worden slechts enkele soorten nagekweekt.


Wie zoekt er niet af en toe naar "zeldzame" schoonheden. 
In onze streek moet men zich heel wat moeite getroosten,of grotere afstanden afleggen, om iets "speciaals" te vinden. Wanneer we dan echt vinden wat we zochten, moeten we meestal vrij diep in onze geldbeugel tasten. Thuis worden de kostbaarheden dan heel voorzichtig in het voor hen ingerichte aquarium geplaatst. De meervallen werden zonder duidelijke naamopgave aangeboden.
Ik spitte al de beschikbare literatuur door en kon ze uiteindelijk als Ancistrus sp. met codenummer L 184 identificeren (Stawikowski 1994).
In februari 1999 kwamen vijf van deze dieren in mijn bezit. De beide vrouwtjes hadden een totale lengte tussen 7,5 en 8 cm,  de drie mannetjes waren ongeveer 9 tot bijna 10cm lang.

Vermoedelijk worden deze meervallen slechts zelden en  in kleine hoeveelheden geïmporteerd, want als aquariumvis krijgen we ze niet vaak te zien. Hun grondkleur is een diepzwart, waartegen hun vinnen grijs-transparant uitkomen.
Hun hele lichaam is bedekt met witte punten die onderling in grootte verschillen. Bij een van mijn mannetjes zijn de stippen op de kop verhoudingsgewijs vrij klein, ze worden echter naar de staartpunt toe vrij groot. Sowieso is deze tekening van dier tot dier anders, geen enkel individu lijkt op de andere. Op de kop dragen deze vissen de voor Ancistrussoorten karakteristieke tentakels, die bij de mannetjes zeer sterk ontwikkeld zijn. Eén van mijn vrouwtjes
bezit een Y-vormig vertakte "antenne", terwijl het tweede  slechts een rij kleine huidaanwassingen aan de snuitrand vertoont.
Speciaal zijn de draadachtige verlengingen aan bovenste en onderste staarvinuiteinde, die me bij geen enkele andere Ancistrussoort bekend zijn. Na een jaar zijn de dieren tot bijna 10cm (de vrouwtjes) en 11,5cm (de mannetjes) uitgegroeid, wat waarschijnlijk (bijna zeker) hun eindgrootte is. Omdat ze diepvriesvoer bijna altijd onaangeroerd lieten, voeder ik ze hoofdzakelijk met verschillende soorten voedertabletten.

Gunstige voortplantingsvoorwaarden


Wie stelt zich reeds tevreden met het gedrag van deze schitterende dieren ? - Wie zich voorneemt om met deze dieren na te kweken, leest vervolgens alles wat hij er in de literatuur over vindt. Spijtig genoeg is er slechts weinig, bijna niets over L184, of Ancistrus sp. "Brillant";  de juiste herkomst vind men niet eens terug.
Sinds januari dit jaar heb ik mijn vissen nauwlettender geobserveerd en vaker waterververst (tweemaal per week) minstens 50% van de bekkeninhoud.
Vanaf februari heb ik dan dagelijks 30 tot 50 procent van het water ververst en de pH-waarde tot ongeveer pH 6,5 laten zakken.
Onze waterwaarden bedragen pH 8,0 en 8,0° dGH, eigenlijk ideaal voor de meeste vissen (volgens de auteur).
In de literatuur vond ik echter de bemerking dat er bij een pH hoger dan 6 geen voorplantingsaktiviteiten plaats vinden; daarom heb ik deze laten dalen.

Na de waterverversingen werden de meervallen dikwijls uitgesproken aktief en mobiel. Zo zochten twee vissen een gemeenschappelijke nieuw hol. Eerst dacht ik reeds, het afleggen begint, maar stelde dan vast, dat het om een territoriumstrijd tussen twee mannetjes ging. Interessant was voor mij, dat dit gedrag heel behoedzaam ging en het niet tot verwondigen kwam. De verdikte bovenste en onderste staartvinstralen kleurden hierbij helderrood.
De volgende morgen was alles weer als vanouds. Ik bood de dieren tonvormige holen aan van verschillende afmetingen uit zelfgebakken aardewerk; de temperatuur schommelde door de waterwisselingen tussen 23 en 26°C. Het aquarium dat ter beschikking stond, had een grondvlak van 70 x 40 en een hoogte van 25 cm.
Mij lijkt het grote bodemoppervlak belangrijk, omdat dat ook een groot wateroppervlak tot gevolg heeft, wat gunstig is voor het zuurstofgehalte van het water.
De hoogte van het bekken is bij deze kleiner blijvende soorten niet zo belangrijk.

Gefilterd werd er met een luchtaangedreven binnenfilter, hiervoor werd een volledige zijruit en een schuimstofmat benut.

Om een beter overzicht te hebben bracht ik geen bodembedekking aan maar bood de dieren liever een stuk veenkienhout aan, dat begroeid was met Bolbitis heudelotii (Afrikaanse watervaren), en een Anubias nana verzwaard met versteend hout. Deze beplanting is hiervoor zeer geschikt omdat ze niet ingeplant moeten worden, ze bieden de jonge vissen bescherming en schuilplaatsen. Maar ook algen en mikroörganismen vestigen zich hierop, en zijn voor de jongen een handig beginvoer. De Ancistrus-vrouwtjes hadden intussen ook een mooie aflegplaats. Op 2 maart slaagde een vrouwtje erin bij een van de mannetjes in een nauw hol te kruipen (diameter cia 3 cm). Maar de volgende ochtend stelde ik vast dat het hol leeg was. 4 maart lag er 's morgens voor een tweede groter hol (diameter 5 cm) één enkel ei. Eén van de wijfjes had dus afgelegd. Had het dier dat ik de vorige dag gadegeslagen had een ander ander mannetje gezocht omdat het eerste hol te klein was, of was het legsel van het tweede vrouwtje ? Met een darmpje zoog ik voorzichtig het ei aan en "blies" het eenvoudigweg in het grote hol.
Het mannetje hierin deed aan broedverzorging, zoals het hoort bij Ancistrussen. Ik wilde niet in het hol schijnen om de mogelijke eerste resultaten geen schade te berokkenen, maar kon zo dus ook niet vaststellen hoe groot het nest was.
Op de morgen van de vierde dag lag het eerste uitgekomen vissenjong voor het hol, ik het er terug ingebracht. Op de zesde  dag zag ik enkel lege eiomhulsels en vijf larven buiten de buis. Het mannetje was er waarschijnlijk niet ingeslaagd om de larven uit hun eiomhulsels te bevrijden. Nadat ik geholpen had bij het uitkomen, bracht ik het jongbroed onder in een aflegkast, die ik in het aquarium hing. Zo kon ik de verdere ontwikkeling goed gadeslaan. Het uitkomen van de larven vind
dus plaats tussen de vierde en de zesde dag.

Van larve tot jonge vis.

De uitgekomen larven zijn doorzichtig en hebben een zeer grote gele dooierzak (ongeveer 5 millimeter diameter).
De 15e maart, de vijfde dag, begonnen ze te verkleuren; de eerste donkere pigmenten waren nu te herkennen. Op dit ogenblik hadden de larven een lengte van van ca tien mm. Op 21/03 (elfde dag) werden de larven donker; hun dooierzak was nog vrij groot en ze maten nu 14 mm. De vijftiende dag verlieten de eerste twee jongen hun hol; hun dooierzak hadden ze nog niet helemaal opgebruikt. Ze zag er iets krachtiger uit dan de jongen in de aflegkast. De zeventiende dag
was de dooierzak opverteerd, en de vissen in de aflegkast hadden een lengte van 15mm , terwijl de "vrij levende" jongen een lengte van 17mm hadden. Op 28 maart scheen ik 's morgens voorzichtig in de buis maar moest echter vaststellen dat er zich geen jongen meer in bevonden. Het legsel zal dus maximum uit tien eieren bestaan hebben, een bescheiden hoeveelheid,
maar ik was toch zeer blij met dit eerste resultaat.

De jongen hadden over het hele lichaam verspreid verschillende grote lichte vlekken. De 18de dag bood ik ze wat droogvoer aan. Ze stortten er zich nu niet bepaald gretig op, in tegendeel. Ik zag slechts zelden dat een van de vissen op een vlok zat, toch was de volgende morgen alles verdwenen.
Op 8 april waren twee jongen in de aflegkast om mij onbekende redenen gestorven.
De kleine Ancistrussen lijken erg kwetsbaar te zijn, ik heb de resterende jongen dan ook direkt "vrijgelaten".
Na vier weken was hun lichaam zwart, de vinnen waren transparant, maar de kleine witte punten waren nog onduidelijk zichtbaar.

Omdat de meervallen er nu vrij robuust uitzagen, deed ik een grotere waterverversing - en zag op
bij beide vrouwtjes  de ver uitstekende legbuis. De volgende dag had hetzelfde mannetje terug legsel in zijn hol.
Bij het andere paar kwam het weer niet tot afleggen. Ik dacht dat het hol toch te klein was en bood het mannetje een groter aan,die het direkt aanvaardde; maar het kwam nog steeds niet tot afleggen. Na een week had het dier zich toch weer in het kleine hol gehuisvest. Intussen kwam het tweede legsel uit, het bevatte terug slechts ongeveer tien eieren. De eerste mei vond ik slechts drie jongen, waar de rest gebleven was wist ik niet. Na ongeveer zes weken zien de jongen eruit zoals hun ouders.

Slotbemerkingen

Ancistrus sp. L184 is met zijn  totale lengte van 12cm  een vrijwel ideale aquariumvis.
Wat de waterwaarden betreft moet men zich geen al te grote zorgen maken. De vissen komen van oorsprong naar alle waarschijnlijkheid uit zeer zacht, zuur water, maar kunnen zich wat dit betreft zeer goed aanpassen. Ook de watertemperatuur is niet van overgroot belang.
Als voedsel zijn verschillende tabletten zeer geschikt. (Zacht) hout om af te raspen moet men de dieren wel aanbieden, ze hebben de cellulose nodig als voedingsvezel. Wekelijks een waterverversing, waarbij uitwerpselen en voederresten afgezogen worden, en de harnasmeervallen voelen zich goed! Om L.184 succesvol na te kweken, is toch wel wat "Fingerspitzengefühl" nodig.
 


bronvermelding :

Datz 11/2000
Stawikowski, R. (1994) Ancistrus-Arten aus Brasilien.
Aqu.u. Terr.Z. (Datz) 47 (9) : 602-604.

bijkomende informatie over deze vissen,
bron : databank van L-Welse.com, auteur Sandor Tüllmann

 

Geslacht/Soort:
Harnasmeervallen : Loricariidae
Ancistrus sp. "L184" = "L107"

Synoniemen : (Brillant-Antennenwels) diamant-antennemeerval ?

Herkomst : Brazilie, midden van Rio Negro-regio, stroomgebied.

Voorgesteld : DATZ 45(8):485; DATZ47(9):602-604

Grootte : 15-18cm, Nakweek blijft beduidend kleiner, 10-12cm

Waterwaarden :  T : 25-29°C.; zomogelijk zacht, pH-waarde in het zure bereik schijnbaar nodig voor kweekpogingen.

Aanbevolen aquariumgrootte : 100-120cm, voor nakweek volstaat een 80cm-bak.

Geslachtsonderscheid : dit is wat ingewikkelder, beide geslachten vertonen antennes. Die van de vrouwtjes zijn echter altijd onvertakt, verhoudingsgewijs kort en slechts in één rij op de rand van de bek gerangschikt.
De mannetjes dragen een dubbele rij bijna altijd onvertakte, maar langere antennes op de bekrand en het midden van de snuit (zie foto's)

Sociaal gedrag : Ancistrus sp. "L107/184" geldt als een schuchtere Loricariide, die zicht makkelijk door andere harnasmeervallen laat onderdrukken. Niettegenstaande bouwen de dieren onderling een duidelijke pikorde op,maar verder zijn ze zeer vreedzaam en rustig. Men kan ze probleemloos vergezelllen met vreedzame scholenvissen.

Verzorging : Ancistrus sp. "L107/184 is een voor "Ancistrussen" vrij veeleisende soort, zoals dit voor vrijwel alle uit de Rio Negro afkomstige soorten geldt. De verzorging in zacht, licht zuur water heeft de meeste kans op succes.
Stroming is niet nodig, een hoog zuurstofgehalte moet er vanzelfsprekend wel zijn. Dit kan met uitstromers,diffusoren of luchthevels bereikt worden. Bij goede waterverzorging zijn het probleemloze, dankbare dieren. De voeding van de dieren is eenvoudig, ze kan uitsluitend met niet te proteïnerijk droogvoer(tabletten) gebeuren. Desalniettemin moet er regelmatig met verschillende groentesoorten bijgevoerd worden. Ook jonge dieren laten zich probleemloos met
gemalen voedertabletten grootbrengen. Zoals gebruikelijk is bij Ancistrussen, mag bij de inrichting van het aquarium zacht hout niet ontbreken.

Kweek :
Onder hierboven beschreven voorwaarden (zacht water, ongeveer 150µS/cm, pH 5-6, eventueel soortaquarium) is het vermeerderen van deze soort als probleemloos te bestempelen. Om de 4-6 weken trekken de vrouwtjes naar de onmiddelijk nabijheid van het hol van het mannetje en zetten zonder verder stimulatie hun legsel af.
Deze bestaan uit 30-40, voor Ancistrussen relatief grote eieren, bij wildvangvrouwtjes zouden legsel van 50-60 mogelijk zijn.
De jongen zijn kwetsbaar en verdragen in de eerste weken geen pH waarde van meer dan 7.
Na 4 weken in een inhaakbakje is het (langzaam) omwennen op leidingwater probleemloos.

Overige : Deze Ancistrussoort is eenvoudig te identificeren, voor Ancistrussen zijn de dieren sterk afgevlakt en bezitten een zeer brede koppartij (enkel vergelijkbaar met A. ranunculus en Ancistrus sp. "L255"), gelijktijdig bezitten ze verlangde punten in de staartvin, die vooral bij jonge dieren wit gekleurd zijn. Deze gemeenschappelijke kenmerken bezit tot dusver geen enkele andere Ancistrussoort.

Gelijkaardige meervallen :
Ancistrus sp. "L71" = "L181" = "L249", Ancistrus dolichopterus, Ancistrus sp. "L327"

Aanvullende gegevens : (Mergus) Welsatlas Bd.2 S.192, Miniatlas L-Welse S.168

 
RocketTheme Joomla Templates