Panaque_nigrolineatus.jpg
Zoetwatergarnalen - Knabbelaars in het aquarium Afdrukken

Danio Rerio Delft.

Geinteresserd in het ontstaan, leven en bestijden van algen keek ik belangstellend toe hoe een aantal garnaaltjes doeltreffend een einde maakte aan een plaag van baardalgen die de planten ontsierden.Deze ontboezeming van een aquariumliefhebber bracht mij op het idee om het leven van de reeds zo bekende zoetwatergarnaaltjes Caridina serrata, eens wat nader te observeren en te proberen eens wat meer aan de weet te komen over herkomst, biotoop en naam.

Bij een kwekerij trof ik een aantal planten aan die door een teleurgestelde liefhebber waren gebracht. Hij was het zat om nog langer tegen die algentroep aan te kijken en zette zijn hobby definitief aan de kant.
De planten, waaronder Cryptocoryne, bleken op de stengels en bladranden begroeid met een ware franje van roodbuine baard- en penseelalgen die plaatselijk en dicht tapijt vormden. Toen ik de eigenaar juist om deze planten vroeg, voegde hij me toe ; “wil je een algenkwekerij beginnen?”. Hij stelde  de planten ter beschikking waardoor het experiment kon beginnen . Het zou slechts 12 uur duren, maar dat wist ik op dat moment nog niet.

Thuisgekomen werden de plantjes in het aquarium geplaatst en vrijwel onmiddellijk startten de garnaaltjes hun activiteiten, het plukken en opeten van de algen en het volledig schoonpoetsen van de hechtplaatsen. Twaalf uur later waren de planten onherkenbaar, brandschoon en fris alsof de baardalgen daarop nooit een bestaan hadden gevonden. Alle zoetwatergarnalen staan bekend als actieve opruimers van organisch afval en hierop maken de Caridina geen uitzondering.

Het geslacht Caridina omvat circa 120 soorten die allen in zoetwater worden aangetroffen, Ze zijn klein, maximaal 3 tot 5 cm. Het geslacht reikt van Afrika, via Pakistan, China en Maleisie tot in Nieuw Guinea en Queensland in Australie. Recentelijk werden in China nog 3 nieuwe soorten beschreven. Er bestaan vele lokaal voorkomende soorten of ondersoorten, elk aangepast aan het leven in hun specifieke milieu dat mogelijk hun vorm en afmetingen, maar zeker hun kleur dicteert.

De kleine maar fraaie soort, waarom het hier gaat, wordt geimporteerd vanuit Hongkong waar diverse soorten zoetwatergarnalen hun bakermat hebben . Dit zijn o.a. : Macrobrachium nipponense (De Haan), M. formosense (Bate), M. hainanense (Parisi), Caridina lanceifron (Yu), Neocaridinas serrata (Stimpson) en Caridina serrate (Stimpson). De eerste twee bewonen reservoirs en bassins terwijl de overige bewoners zijn van de toevoerbeken en de bovenloop van stromen binnen het Lan Tsuen rivieren systeem in de New Territories van Hongkong. Geen van hen wordt gevonden in zout water en zij vertonen, als gevolg van het karakter van hun biotoop, geen tendens om te migreren naar de veelal zoute kustwateren.

Biotoop.

Gezien de beschrijving van hun ecologie is het meer dan verbazend dat Caridina zich aan het leven in een aquarium zo voortreffelijk aanpast. Er zijn relatief kleine aquaria bekend waarin haast onmerkbaar Caridina populaties voorkomen die zonder overdrijving geschat kunen worden op 200 tot 500 stuks. Wanneer we David Dudgeon even aan het woord laten,omschrijft hij het biotoop van onze Caridina als volgt ;  de invloed van de aanvoer van organische stoffen, afkomstig van overbegroeiing en omliggende landbouwgebieden, op de bodemfauna en waterkwaliteit in de midden- en onderstroom is aanzienlijk. De bovenstroomgebieden evenwel zijn relatief niet verstoord en vertonen een uitgebreide bodemgemeenschap. Bovenstrooms zijn de rivieren vaak niet dieper dan 50 cm met een oppervlaktestroming van 25 tot 26 meter per seconde. De bodem bestaat uit zand en kiezelbedden tussen grote, zware keien. Een kruipende plantenmassa, grassen en wortels omlijsten de oever. Het water is zacht en lichtzuur, pH 6,8 – 6,9, rijk aan nitraat en relatief arm aan fosfaat en nitriet. De zuurstof spiegel komt altijd boven 0,08 mg/l. De Caridina werd gevangen met een stevig net dat door de oevervegetatie werd getrokken.

Populatiedichtheid.

De vangsten over een lang tijdsbestek tonen aan dat Caridina het gehele jaar door aanwezig zijn met de hoogste populatie dichtheid in de zomer en de laagste in de winter. In de vrije natuur bestaat er blijkbaar verband tussen de tijd van het jaar en de populatie dichtheid maar de temperatuur lijkt daar weinig invloed op te hebben. Dit komt overeen met de waarnemingen aan Caridina serrate in het aquarium. Zowel in aquaria met temperaturen van 24-28° C, als in aquaria met temperaturen van 16-21° C komen uitzonderlijke dichte populaties voor. Het specifieke milieu, dat zich ontwikkelt, lijkt van meer betekenis dan de temperatuur. Een belangrijke voorwaarde hierbij is de aanwezigheid van aquatische mossen die gehecht op wandwerk, dichte kussens kunnen vormen waarin de jonge Caridina doelmatige bescherming en voedsel kunen vinden.

Voortplanting.

De intervallen tussen de vervellingen, die nodig zijn voor de groei, volgen elkaar in het jeugdstadium snel op, maar worden langer naarmate de Caridina hun maximale grootte bereiken. Dit ligt rond de 13 vervellingen evenals de geslachtsrijpheid die normaliter bij een leeftijd van 7 maanden ingaat. Dit is te zien aan de eierdragende en veranderende zwempoten.
De eieren zijn groot en bruin-roze van kleur en daardoor duidelijk zichtbaar. Het aantal eieren varieert van 7 tot 23. In de vrije natuur blijkt de broedperiode van de Caridina sterk te varieren en is geografisch gebonden.
In de subtropische gebieden is de voortplanting beperkt tot de warme periode, 18-20°C, dus ook voor Hongkong. In de tropische regio's is de voortplanting het gehele jaar mogelijk of wordt beinvloed door de wisseling van de seizoenen. Caridina in een verwarmd aquarium, zetten continu het gehele jaar eitjes af.
De eierproductie bij Caridina is relatief onafhangelijk van de geslachtsrijpheid, maar goed uitgegroeide exemplaren produceren toch wel meer eieren per broed dan kleine. Tijdelijk verhoogde watertemperaturen lijken de voortplanting te stimuleren wanneer dit teminste wordt gekoppeld aan een verhoogd voedselaanbod waarmee de voortplantingsactiviteiten moeten gedekt worden.

Ontwikkeling.

Caridina serrata vertoont een directe ontwikkeling. Een klein aantal grote eieren wordt geproduceerd en gedurende de ontwikkeling meegedragen tot aan het tijdstip van uitkomen.
Alle stadia van de larvale ontwikkeling worden binnen het ei doorlopen waardoor de jongen na het uitkomen sterk op hun ouders lijken. Bij soorten, die goed ontwikkelde jongen produceren, duurt de ei-ontwikkeling relatief lang. Een periode van 28 tot 33 dagen is eerder regel dan uitzondering.

Voedsel.

Zoals alle zoetwatergarnalen is Caridina een alleseter, dus dood organisch materiaal, detritus, algen met een voorkeur voor draad- en penseelalgen.
Ook TabiMin-tabletjes doen het als voedsel goed.

Naam.

Tot dusver bleef de naam van dit kleine garnaaltje onbekend, maar een bezoek aan het Rijksmuseum voor de Natuurlijke Historie te Leiden gaf uitkomst. De heer Fransen bestudeerde het door mij beschikbaar gestelde materiaal en concludeerde dat het hier gaat om Caridina serrata (Stimpson 1860), waarmee  een einde komt aan de verwarring onder de liefhebbers die deze mini-steurkrabbetjes in het aquarium houden en verzorgen.

 

 

 
RocketTheme Joomla Templates