Duboisi_Maswa.jpg
De spons: plant of dier? Afdrukken

Iedereen kent ze ongetwijfeld! Of je ze nu tegenkomt in bad of tijdens het wassen van de auto; sponzen, we gaan er zomaar aan voorbij als we ze uitknijpen.

 En met sponsen bedoel ik niet die roze, witte of blauwe kunstsponsen die we al dan niet verpakt per 5 in het grootwarenhuis kunnen kopen, maar wel de natuurlijke sponzen die uit de zee komen. Zijn dat nu eigenlijk plantaardige of dierlijke organismen dat is de vraag…..

 Een beetje geschiedenis.

Sponzen, of liever het skelet ervan, werden reeds in de oudheid door de Grieken gebruikt bij het baden, bij het reinigen van tafels, vloeren en om wapenuitrusting mee te bekleden. Tegenwoordig worden ze voor nog veel meer gebruikt, en jaarlijks worden naast de kunststofsponzen; zo’n 1000 ton sponzen uit zee opgevist.
Bladsponzen leven enkel in warme, ondiepe zeeèn, maar veel andere soorten leven op grote diepte in oceanen en enkele soorten komen zelfs voor in zoet water.

 In de natuur

In de natuur ziet een spons er niet uit zoals de spons die we in bad tegenkomen. Ze heeft nog het meest gemeen met een glibberig stuk lever. De spons zit als een plant vast op het substraat en schijnt op het eerste zicht helemaal niet te bewegen. Lange tijd zijn sponsen afwisselend beschreven als dieren, planten, zowel dier als plant en zelfs als levensloze substantie. (een uitscheiding van talrijke dieren die zich in de holten van de spons verschuilen)
Pas 100 jaar geleden is men er van overtuigd dat sponzen tot het dierenrijk behoren. De vraag die voordien niet deftig kon worden beantwoord worden was: “Hoe komen deze organismen, die niet van hun plaats komen en niet zichtbaar op hun omgeving reageren, aan voedsel?”

Het antwoord op deze vraag komt er als men een suspensie van minuscule gekleurde deeltjes in het water brengt. Dan ziet men voortdurend een straal water uit één of meerdere grote openingen aan de buitenkant komen. Nu blijkt dat het water door minuscule poriën de spons binnenstromen. De spons fungeert als een soort levende filter die kleine organismen uit het constant door zijn lichaam stromende water haalt. Aan deze miljoenen poriën leent de spons haar wetenschappelijke benaming: Poridera. (gaatjesdrager)

 

De bouw van de spons.

Het grote sponzenlichaam bestaat uit microscopische eenheden, de cellen genaamd. Tussen deze cellen bevinden zich tussenruimten waardoor water stroomt, zodat alle cellen van een constante zuurstoftoevoer worden verzekerd. Verschillende cellen zijn gespecialiseerd in verschillende functies en de cellen vertonen duidelijke sociale neigingen. Alleen maar bepaalde cellen nemen voedsel op;  een deel van het voedsel geven ze door aan cellen die instaan voor bescherming, versteviging of voortplanting.

De eenvoudigst gebouwde sponzen, zoals bijvoorbeeld Leucosolenia, hebben de gedaante van een vaasvormige zak met een grote uitstroomopening op de top en microscopisch kleine instroomopening langs de zijkanten.

De zak wordt aan de buitenkant bedekt door afgeplatte dekcellen die als mozaiktegels aaneensluiten. De grote inwendige holte is bedekt met kraagcellen (choanocyten) die aan hun vrije uiteinde een kraagje bezitten met in het midden een zweephaar. Door het slaan van de zweepharen wordt de vloeistofstroom onderhouden die door de kleine poriën naar buiten stroomt, door de lichaamsholte spoelt en weer naar buiten gaat door de grote opening. De kraagcellen halen voedsel uit het langsstromende water. De kraag voorkomt dat de vaste bestanddelen (voedselpartikels) wegdrijven als ze de kraagcel naderen.

Tussen de dekcellen en de kraagcellen bevinden zich de amoeboide cellen die een geleiachtige massa vormen. Deze cellen kunnen rondkruipen, doch elkaar ook vasthouden, waardoor een soort van verbindend netwerk van levende substantie ontstaat. Waarschijnlijk transporteren deze amoeboide cellen ook afbraakstoffen naar de oppervlakte, zodat ze kunnen worden afgevoerd met de vloeistofstroom.

De voornaamste functie van de skeletvormende cellen (de naam zegt het zelf) is het afscheiden van naaldjes uit kalk of kiezelzuur. (de sponsnaalden of spicula)
Deze spicula vormen een netvormig skelet dat de zachte celmassa steunt, zorgt dat de kanalen open blijven en maakt dat de spons tot een behoorlijke grootte kan uitgroeien.

Een andere cel is de poriecel (porocyt). Deze cellen zijn buisvormig doorboord, liggen aan de oppervlakte en vormen de ingang van de toevoerende waterkanalen naar het binnenste van de spons.

De contractiele cellen staan in de voor de weinige vormverandering in de spons. Door contractie (onder invloed van prikkels) kunnen deze cellen korter en dikker worden.

 

De voortplanting

Sponzen kunnen zich geslachtelijk voortplanten. Sommige cellen slaan reservevoedsel op en groeien uit tot eicellen, andere cellen vormen spermatozoïden. Bij sommige sponzen komen beide soorten geslachtcellen in hetzelfde individu voor, bij andere in verschillende individuen. In het laatste geval worden de spermatozoïden in de vloeistofstroom van de vrouwelijke spons gebracht. De bevruchte eicel ontwikkelt zich tot een larve met zweepharen die na enige tijd aan het moederlichaam ontsnapt en vrij rondzwemt. Na een poosje rondzwemmen hecht de larve ergens aan vast, de zweephaarcellen verhuizen naar binnen en het geheel groeit uit tot een nieuwe spons. Sponzen kunnen zich ook ongeslachtelijk voortplanten door knoppen te vormen en zich te vertakken, ongeveer zoals planten.

 

Houdbaarheid

Als leek op zeewatervlak kan ik niet veel zeggen over de houdbaarheid van sponzen in het zeeaquarium. Ik herinner mij wel de uitspraak van Luc Claeys tijdens een voordracht : dat sponzen zeer moeilijk te houden zijn, maar dat je ze nooit volledig kwijtraakt nadat je ze eens hebt gehad. Dit heeft waarschijnlijk te maken met het feit dat (sommige) sponzen gemakkelijk regenereren. Wanneer men bijvoorbeeld sponzen perst door een dunne doek, dan worden de cellen van elkaar gescheiden komen er alleen of in groepjes doorheen. Wanneer men ze dan in een schotel met zeewater brengt, kruipen de cellen als amoeben over de bodem. Als ze toevallig met elkaar in aanraking komen, hechten ze zich aan elkaar vast en na enige tijd hebben de meeste cellen zich tot één of meerdere celklompjes verenigd. Uit deze celklopjes groeien tenslotte weer nieuwe sponzen.

Ik kan alleen maar concluderen de sponzen rare beestjes zijn!

 

Bron: De ongewervelde dieren – Ralph Buchsbaum

 
RocketTheme Joomla Templates