Eichhornia.jpg
Tridacna - Doopvontschelpen Afdrukken

Zilverhaai Beringen

Doopvontschelpen in de natuur en in de bak

Doopvontschelpen zijn de grootste en snelst groeiende mossels ter wereld. Zoals alle tweekleppigen (mosselen, oesters) zijn doopvontschelpen waterfilteraars. Met hun instroomopening zuigen ze het zeewater op en filteren er het plankton uit, waarna langs een uitstroomopening -een soort syphon- het water weer in het aquarium wordt gestuwd. Ze leven echter hoofdzakelijk (en in het aquarium vermoedelijk uitsluitend) van de symbiotische algen die ze, onder invloed van het licht, in hun mantel opslaan en die in feite de kleurige vlekken daarin vormen. Licht, veel licht, is dus levensnoodzakelijk vermits natuurlijk plankton in de bak ontbreekt.
 
Volgens een recent verschenen artikel in "Het Aquarium" (April 2004 blz.137) zijn de twee totaal verschillende manieren van voeding toch aan elkaar gekoppeld. Men beweert in dit artikel dat dit wetenschappelijk is bewezen. Enerzijds filteren ze, zoals eerder gezegd, plankton uit het water. Anderzijds bezitten ze in hun weefsels zogenaamde zoöxantellen (eencellige symbiotische algen). De zoöxantellen kunnen opgeloste stoffen uit het water met behulp van zonlicht aminozuren opbouwen, die zo ook de doopvontschelpen ten goede komen. We kunnen dit laatste zien als recycling van stikstof want de geproduceerde ammonium (uitscheidingsproducten) wordt door doopvontschelpen aangewend voor de opbouw van aminozuren die in de weefsels terecht komen.
Door de recycling van stikstof met hulp van zoöxantellen kan de doopvontschelp dus uit het opgenomen voedsel niet alleen energie winnen maar bovendien zelfs stikstof benutten die bij andere mossels via de uitscheiding verloren gaat.

In de familie doopvontschelpen onderscheiden we 2 genera:
     Genus Tridacna en Genus Hippopus.
 
Genus Tridacna met de soorten: 
     1.
Tridacna crocea
     2. Tridacna maxima
     3. Tridacna squamosa
     4. Tridacna derasa
     5. Tridacna gigas
     6. Tridacna rosewateri
     7. Tridacna tevora


 
Genus Hippopus met de soorten:
     1. Hippopus hippopus (paardenvoet)
     2. Hippopus porcellanus
 
We vernoemen een aantal Tridacna in volgorde van grootte samen met hun specifieke vindplaatsen.
 
Tridacna crocea circa 15cm.
Woongebied Grote Oceaan. Hoog in het koraaldak.
 
Tridacna maxima circa 35cm.
Woongebied Grote Oceaan,  Rode Zee en Indische Oceaan.
 


Tridacna squamosa circa 40cm.
Woongebied Indische + Grote Oceaan. Sterk en gemakkelijk te houden. Komen we op terug.
 
Tridacna derasa circa 50cm.
Woongebied Indische en Grote Oceaan. Het zijn de grootste soort voor onze aquaria.
 
Tridacna gigas circa 140cm.
Woongebied Indische en Grote Oceaan. Schelpen van 200kg zijn geen uitzondering.
 
Andere soorten zijn voor onze hobby niet interessant en laten we in dit overzicht buiten beschouwing. Ook  het genus Hippopus.


 

Alvorens Tridacna te kopen, moeten we ons allereerst realiseren, dat het weekdier lange tijd en hoogstwaarschijnlijk op dezelfde plaats gaat leven. Vast gehecht aan de bodem of aan de levende stenen in het aquarium. Belangrijk is vooraf te weten, of je de soort neemt die veel licht verlangt of niet of juist met ouder worden minder licht verlangt. Er is tussen bepaalde soorten Tridacna’s, bijvoorbeeld T. squamosa en T. crocea een groot verschil in lichtbehoefte.
 
Waar moet je op letten bij aankoop?

  • Let vooral op de instroom opening (de grootste meestal met tentakels gevoerde opening, de uitstroom is dat komische buisje) niet te wijd open staat, dat duidt op ongenoegen.
  • Test ook hun reactievermogen door het licht af te schermen. Zodra er schaduw op de dieren valt, moeten zij onmiddellijk sluiten. Zo niet, dan is het dier in slechte toestand.
  • Als de dieren er erg licht uit zien, heb dan ook je twijfels. De dieren hebben lang geen licht gezien en moeten zich zeer langzaam weer aanpassen aan het licht en het milieu van het aquarium.
  •  In verband met parasieten: Zitten er geen gaatjes in de schelp? Zo wel, dan duidt dat op een borende worm, die het dier van binnen belaagt. Vooral naar huisjesslakken van de familie Pyramidellidae zoeken. Dezen eten ’s nachts van de mantelflappen. Overdag zitten zij aan de onderkant. Ze vermenigvuldigen zich snel in het aquarium en worden dan ook een echte plaag.
  •  Let ook op de byssusdraden. Zit het dier ergens op vast? Of staat het in het koraal zand? Meestal staan ze in het zand omdat de dieren zich vast hechten aan de constructie. Zijn de draden kapot of niet aanwezig, dan zal het dier zich niet goed aanpassen. Het is zeer belangrijk dat het zich kan vestigen aan het levende steen.

Tridacna squamosa is de meest verkochte Tridacna op dit moment. De schelp is geschubd en het dier heeft mooi, meestal bruin/gele mantelflappen met blauw/groene randen. Dit wijst er dus op, dat het dier in wat dieper water voorkomt, circa 15 tot 20 meter diep. Dat de T. squamosa het zo goed doet, is te wijten aan het gedrag. Het laat graag (zeker bij oudere dieren) los van het stenensubstraat en gaat dan liever wat dieper op de bodem staan, op het zand dus. Bij een goede plaatsing, zal de Tridacna zich thuis voelen en zich in alle schoonheid tonen waarbij hij en/of zij ook op oudere leeftijd op kleur zal staan. Dat wil zeggen, deze Tridacna gaat dan zijn accenten en tekeningen beter laten zien.
 
De kleinste Tridacna soort, Tridacna crocea is de mooiste. Het is een borende soort d.w.z. dit dier graaft en draait zich in het kalksteen of in koraal massief. Op een gegeven moment zie je dus alleen de mantelflappen boven het substraat. Tevens is het ook een dier, dat zich in de natuur met veel soortgenoten heeft ingegraven. De T. crocea leeft hoog in het rif. Deze valt dan ook bij erg laag water droog. Omdat de Tridacna in het substraat zit, droogt hij dus niet uit en wordt ook niet te warm. Het boren beschermt het dier tegen parasieten, want ze kunnen niet bij de kwetsbare Byssus opening. Dus klein zijn heeft ook voordelen. In zijn kleuren is waarschijnlijk de T. crocea het mooist getekend en variërend van geel naar blauw met prachtige contrasten. Dit dier moet dus in het rifaquarium hoog tussen/op de stenen staan.
 
De Tridacna derasa komt men in de winkel zelden of niet tegen. De Nederlandse naam is de gladde Tridacna, aangezien de schelp geen onregelmatigheden vertoont. Deze soort eist zeer schoon zuiver water. Dus ons (vervuilde) aquarium is voor deze soort niet zo goed geschikt. Het leeft hoofdzakelijk bij atollen van kleine eilanden in de Stille Oceaan. Wel in grote hoeveelheden. Het is ook een ‘verplaatser’ d.w.z. het migreert (bij volwassen leeftijd) naar diep water. Het laat zich los boven uit het rifdak en als het volwassen wordt (circa 30cm) laat het zich door de stroming afdrijven naar dieper water. Dan zet het zich vast op de zandbodem. Alleen door het gewicht van de schelp blijft op het op de bodem staan.
 
De Tridacna maxima is ook een mooi gekleurd dier dat een groot verspreidingsgebied heeft. Het is vooral herkenbaar aan zijn onregelmatige vorm van de schelp. Het is in de natur ook een gezelligheidsdier, dat zich in het koraal massief boort (dus hoog in het rif) en met zijn allen daar leven met de mooiste kleuren.
 
Kweekprojecten.
In de gebieden rond de Stille Oceaan worden doopvontschelpen door de plaatselijke bevolking als consumptie gebruikt. Veel vindplaatsen zijn al leeg geroofd.
Op diverse plaatsen zijn er daardoor projecten opgestart om Tridacna’s te kweken voor consumptie en ook voor de liefhebberij. Voor de consumptie worden veel Hippopus, Tridacna derasa en T. gigas gekweekt en voor de liefhebberij Tridacna crocea, T.squamosa en T.derasa. Momenteel worden zelfs Tridacna’s gekweekt om uitgezet te worden in de natuur in het milieu waar ze vroeger ook werden gevonden.
 
Hoe gaat men te werk voor de gestuurde kweek?

Volwassen ouderdieren worden d.m.v. hormonen kunstmatig tot voortplanting gedwongen. De ei- en zaadcellen worden opgevangen en later bijeen gevoegd. De jonge larven leven na de geboorte in grote tanks. Deze tanks moeten volledig schoon en vrij van plankton zijn, dit vooral om de kans van roofplankton te voorkomen. Als het larvenstadium voorbij is, worden zij uitgezet in bassins met een cement substraat om zich daar op vast te zetten. Voor zij zich kunnen vast zetten, moeten zij eerst zoöxantellen bezitten. De dieren zijn aanvankelijk zeer klein, zelfs na verscheidene maanden zijn ze pas zo groot, dat er nog 10 van deze dieren op een  muntstuk van 1 eurocent passen. Het sterftecijfer is echter zeer groot want er liggen veel vijanden op de loer. In deze levensfase overwoekeren voornamelijk de algen de jonge dieren. Later zijn er  nog talrijke predatoren. Als ze groot genoeg zijn worden de weekdieren uitgezet in de oceaan of in zeer grote bassins, die direct zeewater spoelen. Dus direct in verbinding staan met de zee.

Nota: Slechts een zeer klein percentage van de nakweek  is voor de zeewaterliefhebbers bestemd en kosten dan een veelvoud van de prijs die in een restaurant wordt betaald.

 
RocketTheme Joomla Templates